WEEKENDPORTRET: Inge Heirbaut werkt gedreven aan de toekomst

In deze rubriek brengt journalist Paul Verbraeken een portret van een markante persoonlijkheid uit de maritieme, logistieke of transportsector. Vandaag leest u dat van Inge Heirbaut, opleidingshoofd Logistiek Management - Karel de Grote Hogeschool.

Ook u kent allicht Inge Heirbaut van – onder meer – de nieuwjaarsbrieven in Flows. Daarin hamert ze steeds op méér en een betere samenwerking tussen onderwijs en (de Antwerpse) havenwereld. Want als de bedrijfswereld wil dat het onderwijs praktijkgericht is, dan moet die bedrijfswereld het onderwijs ook de kans geven om de vinger aan de pols te houden én aan studenten inleefkansen geven. Dat is nu precies waarvoor Inge zich al zowat een kwarteeuw inzet. Weinig liet nochtans ooit vermoeden dat dit haar carrière zou worden.

Sinjoor

Echte sinjoren zijn volgens de (zelfverzonnen en dus Antwerpse) definitie alleen diegenen die in Antwerpen geboren zijn uit in Antwerpen geboren en getogen Antwerpenaars. Inge is dan ook op en top ‘sinjoor’: geboren in juli 1967 als enig kind van een sinjorenechtpaar. Moeder was lerares Engels. Haar ouders hadden een winkel in de Kammenstraat. Vader woonde in de  buurt. Breed hadden ze het niet bij hem thuis maar hij werd wel aangemoedigd om verder te studeren. Rechten had zijn voorkeur maar dat kon toen niet als je geen Latijnse gedaan had. Dus werd het Handelswetenschappen. Vaders eerste job was bij het reeds lang verdwenen expeditiebedrijf Louis De Bie waarna hij vrij snel overstapte naar de scheepsagentuur Ahlers. Nog later naar de agenturen van Eiffe en Hapag-Lloyd om uiteindelijk algemeen directeur te worden van de Antwerpse Scheepvaartvereniging (ASV).

Hoewel haar studiekeuze eerst een andere richting uitging, was het vader die al heel vroeg de kiem legde voor haar havenbelangstelling. Hij bracht immers steeds boeiende verhalen en culturele ervaringen mee. Voor de agentuur vertegenwoordigde hij heel wat lijnen en dan reisde hij vaak naar Azië en Amerika. Inge daarover: “Ik luisterde er graag naar. Hij wees ons soms ook op de directe impact van de haven tot in de woonkamer. Zo had je tot begin jaren tachtig eigenlijk alleen zomer- en wintergroenten en fruit. Plots lagen daar via de haven aangevoerde Nieuw-Zeelandse kiwi’s.”

“Er waren ook de vakanties. Mijn sociaal leven als jong meisje speelde zich hier in Antwerpen af maar wij gingen vrijwel alle vakanties en vaak ook lange weekends naar Knokke. De zee beviel me enorm en de voortdurende passage van zeeschepen trok me aan. Vader wist daar dan steeds details bij te vertellen: 'Dat is een schip van rederij zus of zo. Dat schip vaart naar Antwerpen of is op weg naar die of die haven'.”

Germaanse

“Mijn humaniora deed ik op het Onze-Lieve-Vrouwinstituut op de Amerikalei: Wetenschappelijke A. Dat betekende heel veel wiskunde, waarin ik goed was. Toch koos ik voor Germaanse, misschien omdat mijn moeder Engels gaf of omdat Engels ook toen al dé handelstaal was. Hoe dan ook beleefde ik tijdens mijn studies Germaanse  – twee jaar aan de Ufsia en nadien de licenties aan de UIA -  een bijzonder leuke studententijd. Ik had nogal strenge ouders. Plotseling was daar de vrijheid van het studentenleven. Ineens werden de teugels gelost. Vrijwel direct zat ik in het presidium van Skald, de studentclub van de Germaanse. Voor de Germaanse was ik ook de afgevaardigde in de studentenkoepel Stuwer. Dat was een heel interessante ervaring omdat je daar in contact kwam met mensen met een totaal andere achtergrond. Daar werden vriendschappen voor het leven gesmeed. Het dient gezegd, ik heb weinig feestjes gemist. Niettemin zou ik zonder een jaar te verliezen afstuderen met een thesis over een literatuuranalyse van drie boeken van de Nederlandse auteur J. Bernlef (het pseudoniem van Hendrik Jan Marsman, red.). Met onderscheiding. Ik ben nu eenmaal een streber en een perfectionist. Als ik iets doe dan mag het in geen geval half werk zijn.” 

Knagend

“Maar hoe interessant en vrolijk ook, toch begon mijn studiekeuze mij steeds meer te wringen. Ik zag te weinig praktische kanten. Om dat te compenseren en mijn interesses tegemoet te komen, nam ik er in mijn laatste jaar Germaanse een ‘complement Bedrijfskunde’ bij met economie, bedrijfskunde enzovoort. Dat gaf me meer voldoening terwijl ik intussen toch netjes mijn Germaanse afwerkte.”

“Stilaan liep mijn studie ten einde en borrelde de vraag op: wat nu? Intussen hoorde ik thuis nog steeds de verhalen van mijn vader. Niet onbelangrijk was dat ik ook twee keer via Eiffe een vakantiejob heb mogen doen bij Transcaldia. In feite een soort hostessenwerk op de maritieme beurs: mensen ontvangen, brochures verdelen maar tegelijk ook veel verhalen horen en ongedwongen communiceren. Dat vond ik tof en sociaal. Dat was voor mij de echte werkwereld. Steeds meer knaagde het aan mij dat ik misschien toch beter gekozen had voor Toegepaste Economische Wetenschappen (TEW). Maar ik kon thuis toch moeilijk gaan vragen om die vier jaar Germaanse te vergeten en me vier jaar TEW te laten studeren. Toen ontdekte ik dat dit niet echt nodig was. Er bestond toen zoiets als een ‘Bijzondere Licentie Maritieme Wetenschappen’. Die kon men halen in één jaar. Nu zit dat nog ingebouwd als master in TEW.” 

Kopstukken

“Samen met een vriendin die al Romaanse achter de rug had, begon ik aan dat jaar. Wij zaten samen met de TEW’ers en waren daar de vreemde eenden in de bijt. Ik voelde direct dat ik daar openbloeide. Dit lag me! Gecombineerd met dat jaar heb ik toen ook nog mijn aggregatie gehaald. Kwestie van het toch maar te hebben.”  

“Ik heb in dat jaar les gehad van grote persoonlijkheden. Denk maar aan havendirecteur Fernand Suykens. Van hem kreeg ik haveneconomie en volgde ik ook seminaries over havenproblemen. Mijn thesis maakte ik over de ‘ontwikkeling van de haven van Algeciras als containerhub’. In 1989 was zo’n thesis schrijven nog zonder internet ambachtelijk werk. Van havendirecteur Vleugels kregen we transporteconomie.”

“Ook het vak ‘techniek van het schip’ van CMB-bestuurder Struye de Swielande staat me nog levendig voor de geest. Hij zorgde er voor dat we aan boord van zeeschepen konden gaan: indrukwekkend. Wel was het een aartsmoeilijk vak met aspecten als de stabiliteit en de scheepsmotor. Van die motor begreep ik niets. Dat had ik gewoon van buiten geleerd. Kreeg ik toch die scheepsmotor als enige examenvraag! Nu, ik ben in Maritieme Wetenschappen afgestudeerd met grote onderscheiding.” 

“Wie ik hier zeker niet mag vergeten is mijn professor Maritiem Recht, de latere havenschepen Leo Delwaide. Een bevlogen man … Halverwege het academiejaar waren we toch al tot bij de Feniciërs geraakt! (glimlacht). De rest volgde dan wel op een drafje. We hingen aan zijn lippen. Hij maakte zo’n indruk! Tijdens zijn lessen kon je een speld horen vallen.” 

Vancraenem

“Vader had in zijn functie vaak contacten met Edwig Vancraenem van de Sint-Lodewijk Handelsschool. Die had in 1968 de richting A1 Scheepvaart-Expeditie opgericht, de voorloper van ... Logistiek Management. Hij had dit van meetaf opgevat als een zeer praktijkgerichte opleiding en had daarvoor de broodnodige contacten in de sector. Zo onder meer ook met mijn vader als ASV-directeur. Vader zetelde overigens voor het vak Duits in zijn examenjury. Hij was enthousiast over die opleiding omdat ze op maat was van wat er op het terrein nodig was.” 

In het leven telt geluk wel eens mee. “Tegen het eind van mijn jaar Maritieme Wetenschap (1990) vertelde Edwig aan mijn vader dat hij met een probleem zat: de opleiding A1 Scheepvaart-Expeditie zou van twee op drie jaar gebracht worden. Dat betekende niet alleen een forse uitbreiding van het lessenpakket maar tevens van zijn docentenkorps. Vader raadde me aan ‘toch eens mijn cv aan Edwig te sturen’, een verkapte sollicitatie. Edwig contacteerde me kort daarna en hij bleek een heel interessante man. Maar hij vertelde me ook dat ik … nog een jaartje te vroeg kwam aankloppen.”

“Ik heb toen nog een jaar Engels en Nederlands gegeven in Deurne en avondlessen bij de LBC in de Sudermanstraat. Dat gaf me alvast ervaring in lesgeven maar ik wist dat mijn passie niet lag in het lesgeven in het secundair. Edwig hield woord en contacteerde me in het voorjaar 1991 opnieuw: ik mocht komen en kreeg van de directie van Sint-Lodewijk een voltijdse opdracht. Zij zochten iemand om niet alleen les te geven maar ook om het stagesysteem uit te bouwen.”

Docent

“Ik gaf toen een deel ‘zakelijk Engels’ en Economische Aardrijkskunde met aandacht voor de transportnetwerken zoals het spoor, de grote Europese assen en uiteraard het maritiem vervoer, met daarbij aspecten zoals de bevaarbaarheid en de grote zeewegen. Die cursus heb ik zelf uitgewerkt. Door de uitbreiding van het curriculum kwamen daar al snel alle aspecten van het hinterland bij. Later kwamen daar als een natuurlijk uitvloeisel ook supplychain en warehousing bij.”

“Edwig heeft me veel kansen gegeven als docent waarbij ik me ook veel praktische kennis kon eigen maken. Tegelijk werkte ik mee aan de uitbouw van Universha, de vereniging van maritieme studenten. Het doel van Universha was mensen uit de praktijk uitnodigen waarbij ik via mijn vader wel al eens iemand kon aanbrengen. Daar heb ik onder meer ook Patrick Verhoeven leren kennen.”

“Edwig vroeg me om ‘tussendoor’ nog een attest ‘chartering’ te halen want dat wou hij in het lessenpakket opnemen en uitbouwen. Via briefwisseling heb ik die cursus gevolgd en het attest behaald aan het Institute of Chartered Shipbrokers in Londen. Alweer een heel boeiende opleiding met onder meer liner trade, dry cargo chartering enzovoort. Chartering is overigens nog steeds een keuzevak.”

“Inmiddels was ik gehuwd en beviel ik in 1995 van een tweeling, twee jongens. Je kan je dus voorstellen dat dit een pittige periode was: werken, bijstuderen, kinderen krijgen ...”

Coördineren

“Edwig bleef er ook op aandringen om nauw aan te sluiten bij de sector door vaak in gesprek te gaan en te luisteren naar de bekommernissen. Hij gaf daarbij ook veel ondersteuning. Toevallig besliste de opleidingsverantwoordelijke er toen mee te stoppen terwijl voor Edwig het pensioen stilaan naderde. De toenmalige directie vroeg me in 2003 om die coördinatortaak op te nemen, gecombineerd met lesgeven. Ik zag dat meteen zitten. De cursus is uiteindelijk drie keer van naam veranderd: van 'A1 Scheepvaart-Expeditie' toen, in ‘Expeditie, Distributie en Transport’. Later in 'Logistiek Management'.” 

“De belangrijkste taak als coördinator was stages te blijven vormgeven en uit te bouwen. In diezelfde periode fusioneerde Sint-Lodewijk met tien andere Antwerpse instellingen tot de KdG Hogeschool: een grote, meer professionele organisatie met structuren en visies vertaald in een jaarplan.” 

Natuurlijk is het gemakkelijker gezegd dan gedaan om stages te organiseren. Hoe begin je daaraan? “In de eerste plaats via de beroepsorganisaties”, weet Inge. “Daarbij had ik uiteraard het voordeel dat ik vanuit de relaties van mijn vader gemakkelijker bij topmensen kon langsgaan en ik bijvoorbeeld goede relaties had met – om er enkele te noemen – Xavier Van Engelen en Frank Bogaerts.”

“In de beroepsverenigingen zoals ASV en VEA was men van in het begin erg gemotiveerd. Hun jongerenafdelingen – respectievelijk Next Generation en de Werkgroep Scholen en Promotie – hebben daar heel expliciet hun schouders onder gezet. Inmiddels is door de krapte op de arbeidsmarkt de aandrang om samen te werken met een opleidingsinstelling als KdG Hogeschool ook vanuit de bedrijven zelf meer gegroeid.” 

Voortdurend opvolgen

“Stages duurden in mijn beginperiode zowat zes à zeven weken. Dat is steeds verder uitgebouwd maar komt altijd neer op faciliteiten vragen en een takenpakket geven dat gradueel toeneemt. Bij zo’n stage dump je niet zomaar iemand in een bedrijf. Je begeleidt hem ook echt, je geeft hem groeiend verantwoordelijkheid en continu feedback. Onvermijdelijk kom je tot de vaststelling dat afspraken maken één aspect is maar het uiteindelijk altijd draait rond personen.”

“Vanuit KdG Hogeschool werd de structuur steeds meer gevarieerd. De opleidingen worden centraal aangestuurd door het opleidingshoofd met een takenpakket dat voortdurend is uitgebreid. Zo bijvoorbeeld personeelsbeleid, functioneringsgesprekken, evaluaties, het uitschrijven van vacatures, lesbezoeken enzovoort. In 2003 werd ik coördinator van die opleidingen om in 2013 formeel opleidingshoofd te worden.”

Micro degree

“Zoals ik al zei vergen opleidingen een continue opvolging om ze up-to-date te houden. Opleiding is op zich nooit het doel. De opleiding moet gericht zijn op de onmiddellijke inzetbaarheid. Dat uit zich in tevredenheid en de wetenschap dat onze studenten direct werk vinden. Wij leiden onze studenten daarbij op met de mentaliteit dat een diploma of attest op zich geen eindpunt is maar wel een start en dat ze levenslang moeten leren. Daarom ook dat ons curriculum regelmatig verandert. Dat betekent concreet voor mij zoveel mogelijk aanwezig zijn in de werkgeverswereld, congressen volgen, afspraken maken met beroepsorganisaties. Dat geeft me veel energie. Ik vind het altijd leuk te horen waar mensen mee bezig zijn.” 

“Op die manier zijn we recent gekomen tot een samenwerking met Randstad voor onze ‘micro degrees’. Het aanvoelen was dat de sector zelfs mensen zonder bacchelordiploma vraagt. Er werd letterlijk gezegd: stuur ons ook mensen die tijdens hun studie gestopt zijn. De micro degrees zijn daar een antwoord op. Met de ondersteuning en begeleiding van Randstad kunnen we een alternatief bieden voor wie drie jaar studie niet ziet zitten. In die talent match wordt de student gedurende één jaar geoefend en wordt hem een realistische kijk op de jobs gegeven en krijgt hij een sollicitatietraining.” 

“Belangrijk is de samenwerking met de VDAB, want Logistiek Manager is erkend als knelpuntberoep. Het aantal deelnemers vanuit de VDAB is nog vrij beperkt maar hun inbreng is heel waardevol. Vaak gaat het om al wat oudere mensen: dertigers, veertigers, en zelfs al eens een vijftiger. Dat veroorzaakt absoluut geen conflicten met de jongere generatie. Integendeel, het is een hechte groep. Zij brengen als mature studenten hun ervaring mee en dat is een meerwaarde in de opleiding.”

Verhuizing

“Een grote uitdaging wordt over enkele jaren de verhuizing van onze campus van de Groenplaats naar een nieuwbouw op de Meir. De voorbereidingen zijn volop bezig. Het gaat niet om het zomaar neerpoten van nieuwe gebouwen maar wel om het bouwen van een complex dat een vertaling is van onze toekomstvisie. Dat gaat zeer ver. Bijvoorbeeld: hoeveel aula’s denken we nog nodig te hebben? Of zelfs: hebben we nog een aula nodig? Gaan we naar persoonlijke coaching? Kortom, dat gebouw dient inzake onze visie op leren future proof te zijn. Ik denk dat we ongeveer midden dit jaar duidelijkheid zullen hebben.” 

De hogescholen blijven niet gespaard van besparingen. Dat verhoogt bij iedereen de werkdruk. Onze middelen zijn niet gestegen met het studentenaantal. Tegelijk vergen nieuwe werkvormen meer middelen. Zeker als je studenten in projecten persoonlijk wil coachen. Het is dus een continu gevecht tussen middelen, nieuwe werkvormen en het blijven garanderen van de kwaliteit van het onderwijs. Als er dus iets vaststaat is het wel dat de werkdruk blijft toenemen en je hervormingen moet doorvoeren met de beschikbare middelen. En dat terwijl de concurrentie tussen hogescholen meespeelt. We staan dus voor heel grote uitdagingen.”

Paul Verbraeken