WEEKENDPORTRET: de liefde van Rudi De Meyer voor film én de haven

Nieuws, Mensen
Bart Timperman

“Als je in de Boomse klei vastzit, geraak je er niet weg”, glimlacht Rudi De Meyer (59) op de vraag waarom een bekende Antwerpse havenfiguur elke dag tussen Antwerpen en Boom pendelt. “Ik woon al heel mijn leven in Boom. Ik kom uit een Booms arbeidersgezin. Mijn vader was eerst loodgieter en later onderhoudsmechanieker in Hoboken, bij wat aanvankelijk Caltex heette en nadien meermaals van naam veranderde. Daar ben ik enkele keren vakantiejobs gaan doen en zag ik dus de afgemeerde tankers. Dat zou je mijn eerste contact met het havengebeuren kunnen noemen.”

“In Boom volgde ik Latijn-Grieks in het OLV-college. Vooral in het vak Grieks kon ik mij echt uitleven. Ik mocht van mijn ouders naar de universiteit. Niet evident in een arbeidersgezin. Vader liet me vrij zolang ik maar niet “zotte, alternatieve linkse toestanden zou kiezen”. Dat was nu precies wat ik wél wou. Ik wou een filmopleiding volgen want ik was – en ben nog altijd – gek van film. Filmschool zag mijn vader absoluut niet zitten, wel een ingenieursopleiding of rechten. Het werd, zoals later vaker in mijn leven, een tussenweg: criminologie. Maar mijn hart lag bij de film.”

Daklozen volgen

“Voor mijn eindwerk heb ik drie maanden ‘participerende observatie’ gedaan bij het Werk der Daklozen in de Antwerpse Blindenstraat en volgde ik tien typegevallen van thuislozen met alcoholproblemen. Vaak mensen die geen onderdak willen ondanks alle hulp. Mensen die om allerlei redenen foert zeggen tegen de maatschappij. Ook mensen in diepe ellende, die door een cascade van tegenslagen in die situatie zijn geraakt. Het bleef niet bij louter ‘observeren’. Vanuit mijn engagement ben ik zelfs in de Begijnenstraat gaan pleiten om hulp. Het onderwerp boeide me zodanig dat ik voor mijn eindwerk speciaal naar Londen trok om er de nodige wetenschappelijke werken te kopen. Internet bestond nog niet. Kortom, criminologie was behoorlijk maatschappelijk geëngageerd.”

“Wat wellicht nog de meeste indruk heeft nagelaten op mij was de verplichte literatuur van het boek ‘In de buitenbaan’ van professor Luc Huyse. Hij analyseert daarin de verschillende sociale startsituaties: de moeilijke vanuit een arbeidersgezin, de buitenbaan, en die vanuit een meer begoed gezin, de gemakkelijkere binnenbaan. Zijn boek was zo herkenbaar, zo’n perfecte analyse! Ik was van mijn 6e tot mijn 27e actief in scouting: van welp tot voorzitter van het oudercomité. Het is in die context dat ik mijn echtgenote heb leren kennen. Zij was actief bij de gidsen.”

Film in het leger

“Ik haalde mijn diploma Criminologie in 1981 en kon direct starten in de hulpgevangenis van Leuven. Toch deed ik dat niet. Mijn oude filmliefde haalde het. Mijn ouders gaven me de kans nog twee jaar communicatie te volgen met als specialisatie film. Ik ben er hen nog steeds uiterst dankbaar voor. Bij professor Wim Van der Biesen maakte ik – met grote onderscheiding – een stevig uitgewerkte verhandeling over ‘gerechtsjournalistiek in Vlaanderen’. Ik heb zo een mooie link kunnen leggen tussen criminologie en communicatiewetenschap. Mijn werk is naderhand niet alleen gepubliceerd maar ook dikwijls elders geciteerd. Voor die studie ben ik wekenlang opgetrokken met bekende gerechtsjournalisten zoals Louis De Lentdecker.”

“Nadien volgde in 1985 mijn legerdienst. Datzelfde jaar zou ik trouwen. Ook bij die legerdienst hielp het toeval. Door een gekwetste knie werd ik naar Peutie gestuurd  om … er bij de socio-culturele dienst de filmafdeling te verzorgen! ’s Avonds draaide ik films. Overdag ging ik in Brussel de films ophalen en moest ik de sociale dienst doen en de bibliotheek. Zalig. Ik kon zelfs tussendoor mijn eindwerk, dat stilaan doctoraatsallures kreeg, afwerken.”

Haven als werk

“Direct na mijn afzwaaien had ik werk. Voor filmjournalist waren de marktomstandigheden te karig. Maar professor Wim Van der Biesen gaf me de tip dat ze bij “een krant in Antwerpen iemand zochten voor iets”. Het bleek om de Lloyd Anversois te gaan. Daar begon ik op ‘Telelloyd’, een videotex-dienst, technologisch de prehistorische oerversie van NxtPort. Het was er op gericht elektronisch in real time scheepsgegevens te verwerven en door te geven. Het werd mijn intrede in de haven.”

“Eenvoudig was mijn taak niet. Ik moest in het pre-internettijdperk dat nieuwe systeem gaan aanprijzen bij de bedrijven. Uiteraard was dit de toekomst maar als je weet dat ik daar bij die bedrijven soms eerst een uur bezig was om die modems aan te schakelen alvorens ik mijn uitleg kon beginnen … (lacht). In Noord-Frankrijk was men al vertrouwd met Minitel en sloeg de verkoop goed aan. Bij ons niet. De Lloyd besliste Telelloyd af te bouwen. In 1988 kreeg ik bij de Lloyd de commerciële leiding en hield ik me onder meer bezig met de jaarboeken en de specials.”

Directeur ASV

“De toenmalige voorzitter van de raad van bestuur van de Lloyd, Jean-Pierre Schellekens (Herfurth), was ook voorzitter van de Antwerpse Scheepvaartvereniging (ASV). Hij was het die me vroeg om de ASV-directeur die ‘stilaan met pensioen ging’, op te volgen. Ik zag dat wel zitten. In afwachting van die opvolging kreeg ik ruim de tijd om uit te zoeken hoe de havengemeenschap functioneerde én om de vele havengebruiken en -reglementen te doorgronden, evenals de essentials van shipping en chartering. Ik volgde toen ook de IPO-managementschool. Uiteindelijk werd ik daadwerkelijk directeur-generaal van ASV.”

 “ASV zat toen nog in de Korte Gasthuisstraat en was vrij bestoft, weinig dynamisch. Ik denk daar toch verandering gebracht te hebben met onder meer – ik som voor de vuist weg op – een duidelijke communicatie, het uitgeven van nieuwsbrieven, de eerste grote ASV-events zoals Shiplink, Gastronautica en dan zeker ook de viering van honderd jaar ASV in 2001. Aan het boek daarrond werkte onder meer een (toen nog) in de havengemeenschap vrij onbekende jonge historicus Stephan Vanfraechem mee.”

Naar AGHA

“Als afgevaardigde van ASV zat ik ook in het directiecomité van AGHA. Daar leerde ik uiteraard afgevaardigd-bestuurder Robert Restiau kennen. Wat ik bij ASV vooral leerde, is dat de kracht van een beroepsvereniging erg wordt bepaald door het samenspel tussen directeur en voorzitter. In mijn geval was dat eerst John Hunter, daarna vooral Robert Vermeersch. Hij zou me naderhand aanmoedigen om in 2002 de overstap te maken naar AGHA.”

“Daar was mijn eerste taak: het bedrijf omvormen tot Alfaport. Dat was uiteraard meer dan een naamsverandering. Het moest een nieuw elan scheppen om met een andere manier van werken de verschillende geledingen nog beter en efficiënter te laten samenwerken. Het was een enorm boeiende periode waar ik bijvoorbeeld de gelegenheid kreeg veel lobbywerk te doen maar tegelijk ook een stevig netwerk uit te bouwen. Het was een zeer interessante functie door de combinatie van beleidsgericht werken en lobbyen.”

“Tegelijk trachtte ik ook vanuit het bredere plaatje Alfaport voor te bereiden op een integratie met Voka. Tegelijk zat ik ook zeven jaar in de raad van bestuur van het Havenbedrijf Antwerpen. Als afgevaardigd-bestuurder van Alfaport was ik bovendien directeur van de Vlaamse Havenvereniging met als voorzitter Nicolas Saverys.”

In een tentje

“Er waren al eens ‘extreme momenten’. Denk maar aan de acties tegen de Europese Port Package. Het meest spannende moment kwam echter totaal onverwachts. Ik was met mijn dochters aan het kamperen. Tot ik plots door heel de Vlaamse pers en door de halve Vlaamse regering werd opgebeld om reacties te geven. (lacht) Ik viel helemaal uit de lucht. Bleek dat de voorzitter van de Vlaamse Havengemeenschap, Nicolas Saverys, nogal scherpe verklaringen had afgelegd tegen de geplande Lange Wapperbrug in de Oosterweelverbinding. Maar ik wist helemaal van niets. Zit je daar met twee kleine dochters in een tentje …”

Rotterdam

“In 2014 ben ik na de integratie van Alfaport in Voka Antwerpen – Waasland naar Voka-VEV in Brussel gegaan om er Voka-Havenvereniging op te starten en te begeleiden. Dat bleek om diverse redenen geen goede match te zijn. Stilaan werd me ook duidelijk dat het tijd was voor wat nieuws en om me te herbronnen. Ik ben toen onder meer cursussen ‘Strategisch management’ gaan volgen aan de Vlerick Hogeschool. En die nieuwe dingen kwamen er aan. Zo werd me een commissarismandaat aangeboden in de raad van bestuur van het Nederlandse loodswezen. Dat heb ik met heel veel plezier aanvaard en ik doe het nog steeds graag. Gezien de grote betrokkenheid van de Nederlandse loodsen bij de Scheldevaart, wil het Nederlands loodswezen een Vlaming in zijn raad van bestuur. Dat Nederlandse loodswezen is een geprivatiseerd bedrijf, weliswaar in de publieke context. De 450 loodsen zijn er aandeelhouder. Door dit mandaat ben ik maandelijks anderhalve dag in Rotterdam. Een rijke ervaring. Je merkt direct dat het Nederlandse loodswezen inzake organisatiestructuur niet te vergelijken is met het onze. Bij ons zijn loodsen ambtenaren, in Nederland zijn de loodsen als aandeelhouders 100% zakelijk betrokken bij het bedrijf, wat de continuiteit en de kostefficiëntie ten goede komt.”

Havencentrum

Toen kwam de vraag van de provincie Antwerpen om het Havencentrum – momenteel nog in Lillo – te gaan leiden: eerst als interimmanager om in vier maanden een toekomststrategie uit te werken. Naderhand kwam de vraag om dat permanent te gaan doen en ik liet me verleiden om directeur te worden met als opdracht het Havencentrum te hervestigen op de droogdokkensite en het te heroriënteren naar een top-havenbelevingscentrum. Ik ben er gerust in dat dit in orde komt. Het nieuwe havenbelevingscentrum staat ingepland in de meerjarenbegroting, de middelen zijn voorzien, er is een intentieverklaring van het Havenbedrijf en er wordt momenteel een businesscase uitgewerkt. Nu is het uitkijken hoe het nieuwe Antwerpse stadsbestuur de droogdokkensite zal aanpakken. Het nieuwe Havenbelevingscentrum moet voor het grote publiek, jongeren en werkzoekenden de poort worden naar de haven. Het moet de link zijn tussen arbeidsmarkt en onderwijs. Het moet erop gericht zijn het maatschappelijk draagvlak voor de Antwerpse haven te vergroten. We gaan dat uiteraard doen met de meest moderne technologieën en interactieve opstellingen, maar vooral met verhalen die aanspreken.”

“Uiteindelijk nog dit. Naast het pro deo-voorzitterschap van de vzw De Steenschuit in Boom, ben ik thuis zeer betrokken bij de ondersteuning van mijn dochters. Met mijn oudste dochter heb ik – weliswaar als stille vennoot – een uitgeverij opgezet gericht op jeugdliteratuur. ‘De Belezenis’ is nu gelanceerd. Je ziet, in tegenstelling tot haar vader, is zij nu een jonge ondernemer. Mijn jongste dochter is dan weer een zangtalent én sterk modegericht. We zullen zien hoe ze die capaciteiten best kan ontwikkelen.”

Paul Verbraeken