WEEKENDPORTRET: Marc Van Peel pendeldiplomaat voor droogdokkensite

Nieuws, Mensen
Charlotte De Noose

Je zou het hem niet zeggen: gewezen havenschepen Marc Van Peel wordt op 18 september zeventig. Begin dit jaar ging hij na een indrukwekkende politieke loopbaan met pensioen maar zijn hart blijft bij de haven. In alle stilte voert hij nu al maanden een pendeldiplomatie om van de droogdokkensite toch nog een maritiem centrum te maken.

In dit eerste lange gesprek sinds zijn feitelijke pensionering zegt Van Peel ook voor het eerst dat hij midden jaren negentig op de politiek uitgekeken was en dacht aan een uitdaging in de privésector. Tot de politieke dobbelstenen hem onverwacht nog veel meer in de politiek duwden.

“Ik ben nu bij het Havenbedrijf Antwerpen nog havenambassadeur”, vertelt Van Peel ons in zijn scoutsachtige buitenverblijf in Stekene. “Dat betekent dat ik niets meer te maken heb met het beleid en nog alleen een representatieve functie waarneem door soms delegaties te verwelkomen.”

Geen actievoerder

“Wat de droogdokkensite betreft, tracht ik als vrijwilliger mee te trekken om daar werk van te maken. Wat is de situatie? De nieuwe coalitie heeft bepaald dat zij prioritair geen budgetten voorziet voor een nieuw maritiem museum. Daar kan je voor of tegen zijn maar dat is beslist. Het is realistisch zich daar bij neer te leggen. Ik ben geen actievoerder. Wel voorziet het bestuursakkoord nog een maritieme site. Dat  opent nog perspectieven en biedt plaats voor erfgoedverenigingen terwijl het Havencentrum Lillo er sowieso over enkele jaren komt.”

“Laat ons daarop inspelen. Ik ben er nu al een tijdje mee bezig om te bemiddelen en sponsors te zoeken om die toch wonderbaarlijke site publiek toegankelijk te maken. Dat zal dus met minder stedelijk geld zijn dan verwacht maar toch voldoende om bijvoorbeeld de site meer toegankelijk te maken, voor de veiligheid te zorgen en om toezicht te houden.”

“Ik ben nu nog in de positie dat ik nog veel kennissen heb in de politiek, op kabinetten, bij erfgoedgroepen, bij bedrijven, de provincie enzovoort. Vanuit mijn vrijwilligerswerk tracht ik om die droogdokkensite als lint tussen de stad en het Havenhuis te vullen. Daar heb ik trouwens al bij mijn afscheid voor gepleit.”

“Als je ziet hoe die kant van de stad veranderd is … Laat ons die site nu vullen met getuigenissen van onze maritieme geschiedenis maar ook met getuigenissen van de werking van de haven nu en in de toekomst.”

“Zonder in details te treden, kan ik u zeggen dat ik de jongste tijd veel contacten heb gehad en er heel veel én positief wordt gereageerd. Er is een grote bereidheid om de site zo toegankelijk mogelijk te maken. Dat alles in goed overleg met de erfgoedverenigingen. Mijn pleidooi is: kijk naar de goede dingen, schakel je in in wat nu haalbaar is. Melius inimicus boni. Het betere is de vijand van het goede. Kortom, kies voor het haalbare, niet voor het perfecte.”

Vader havendirecteur

Marc Van Peel blijft dus actief na een leven vol onverwachte bochten. Laat ons daar even op inzoomen. Marc werd in 1949 geboren in Wilrijk. Vader was stadsambtenaar, moeder een sterk geëngageerde huisvrouw. Allebei waren ze afkomstig van Herentals. “Mijn vader had graag geschiedenis geleerd maar door de oorlog was daar niets van terechtgekomen. Nog tijdens de Slag om de Schelde – exact 75 jaar jaar geleden – stapte hij met zijn humanioradiploma binnen bij de ‘dienst der gebouwen’ en werd er aangenomen. Geleidelijk heeft hij zich opgewerkt. Ik heb mijn vader altijd weten studeren. Via avondonderricht heeft hij onder meer nog een diploma bestuurswetenschappen gehaald. Uiteindelijk werd hij directeur van de ‘Tiende Directie’: de administratie van de havengebonden dossiers. Zijn baas was havenschepen Delwaide senior (die mij en mijn vrouw overigens in 1972 in de echt zou verbinden). Je kan je dan ook voorstellen dat mijn vader later niet weinig fier was toen zijn zoon zelf havenschepen werd.”

“Op mijn tiende zijn we van Borgerhout naar Linkeroever verhuisd naar een ‘betaalbaar appartement’ in het allereerste appartementsblok van Amelinckx.” 

“Het was de tijd dat je als stadsambtenaar nog binnen de stadsgrenzen moest wonen: een heel wijs voorschrift omdat dit de band tussen een ambtenaar en de stad bevorderde. Jammer genoeg heeft de Raad van State die regel vernietigd. Een van de vele keren waarbij die Raad ‘van Schade’ maatschappelijke schade heeft aangericht.”

KSA, dan Scouts

“Op Linkeroever volgde ik aan het Sint-Thomascollege de Latijn-Griekse. Linkeroever was toen nog een zandwoestijn met vele bosjes. Ik ben er eerst een jaartje bij de KSA ben geweest. Maar op het college waren er een achttal priesters die allen scout waren geweest. Zij hebben op zeker ogenblik een soort putch gepleegd. Plotseling werden we scouts. Eerlijk: ik herinner me meer van mijn scoutsperikelen dan van mijn schooltijd. De scouts zouden dan ook heel bepalend worden voor mij.”

“Vader schreef in die periode een boek over de oeververbindingen en later nog een over ‘Honderd Jaar Sint-Annaparochie’. Geen wonder dus dat ik voor geschiedenis koos: de kandidaturen in Antwerpen aan de UFSIA, voor de licenties ging ik naar Gent. Het waren de jezuïeten zelf die ons dat hadden aangeraden!”

“Mijn toekomstige echtgenote Veerle deed Romaanse, met eveneens eerst haar kandidaturen in Antwerpen en de licenties in Gent. Ze was daar al mijn lief.”

Mja, lesgeven

“Na mijn universiteit volgde in 1971 nog mijn legerdienst in het Duitse Werl. Grotendeels verloren tijd. Niettemin heb ik er veertien dagen bijgetekend omdat ik er als scoutsleider met mijn jongens nog op kamp wou gaan. Direct daarna zou ik in het onderwijs beginnen. Tegelijk bleef ik zeer actief in de scouts.”

“Ik vond werk in het Sint-Hendrikscollege in Deinze. Intussen waren we in 1972 getrouwd en gingen we eerst even in Gent wonen. Al in 1974 keerden we terug naar Antwerpen. In 1977 vestigden we ons definitief op Linkeroever.”

“Uiteindelijk heb ik twee jaar geschiedenisles gegeven. Toen ik eens de Franse Revolutie aan het uitleggen was, bekroop me een existentiële angst. Ik was toen amper 24. Zou ik dit nu werkelijk elk jaar afdreunen tot mijn 65e? Net dan werd ik gecontacteerd door de voorzitter van de scouts met de vraag of ik Nationaal Verbondscommissaris wou worden, zowat CEO van de scoutsbeweging. Ik zou dit uiteindelijk vijf jaar doen. Ik durf gerust zeggen dat ik aan die scoutstijd echte vrienden heb overgehouden.”

“In 1979 werd ik gevraagd lid te worden van de vormingsdienst van het ACV met vooral lesgeven in Overijse aan de ACV-vrijgestelden en aan de Sociale Hogeschool in Heverlee. Daar gaf ik ook ‘ideologische stromingen’. Het was die lessenreeks die me definitief bekeerde tot de christendemocratie.”

“In 1986 vroeg men mij om in Antwerpen ACW-secretaris te worden. Eerst zou ik twee jaar inlopen. Dat was vlakbij huis en ik had intussen vier kinderen, twee jongens en twee meisjes. Net in die ‘inloop’ viel de regering Martens terwijl de plaatstelijke ACV-kandidaat Tijl Declerck zich niet meer herkiesbaar stelde. Men vroeg me hem op te volgen. Een serieuze gok: als ik niet verkozen werd, mocht ik niet terugkeren om ACW-secretaris te worden.”

Parlementair 

“Ik werd verkozen in december 1987. Van partijwerking kende ik totaal niets. De regering Martens 8 zou het tot 1991 uithouden. Intussen was ik al sinds 1 januari 1989 ook in de Antwerpse gemeenteraad beland. Omdat het moest. De lokale voorzitter verordende dat ik als CVP-Kamerlid op de lijst móést komen. Ik sputterde tegen maar het antwoord was: in de beweging moet iedereen zijn nek uitsteken. Ik werd lijstduwer en verkozen. Ik zou er dertig jaar blijven …”

“Tot 2007 ben ik altijd herkozen in een van de parlementen. En wat een erefunctie leek: tussendoor was ik ook ondervoorzitter geworden.” 

Schipbreukeling

“Onvergetelijk was mijn deelname in september 1995 aan een internationale Greenpeace-actie tegen de Franse atoomproeven in de Pacific. Met een delegatie van vijf Belgische parlementsleden – met onder meer Vera Dua – vlogen we van Nieuw-Zeeland naar het eiland Rarotonga om van daaruit op te stomen naar Mururoa, waar Frankrijk zijn atoombommen testte. Maar ons scheepje, de Kaunitoni, was een roestbak. In volle oceaan vielen we in panne. Een uitgestuurde sleepboot knalde tegen ons, zo erg dat we onze reddingsvesten moesten aanhouden. Intussen stonk het eten naar petroleum. Na enkele dagen heeft die sleper ons dan door de branding op het strand van Rarotonga laten stranden.”

Politiek beu

“Nog datzelfde jaar waren er opnieuw parlementsverkiezingen en werd ik herkozen. Het was duidelijk dat ik door het spel van de vele evenwichten – regionaal, man/vrouw, standen – geen minister kon worden, nochtans de droom van elk parlementslid. Tegelijk realiseerde ik me dat de reële macht niet bij het parlement ligt. Het is in die context dat ik vond dat acht jaar parlement stilaan genoeg was. Ik was het echt wat beu. En dat zeg ik hier nu voor het eerst: ik dacht er steeds meer aan uit te kijken naar wat anders, bijvoorbeeld in de privé. Exact wat Philip Heylen jaren later daadwerkelijk heeft gedaan.”

“Maar terwijl ik daar discreet aan dacht, veranderde alles. In juni 1996 was er de letterlijke vlucht van partijvoorzitter Johan Van Hecke. Als ondervoorzitter werd ik van de ene minuut op de andere tijdelijk CVP-voorzitter, nadien met een echt mandaat. Ik kwam direct terecht in de periode van Dutroux en de Witte Mars.”

“Nu, de kaarten voor de verkiezingen van 1999 lagen voor ons goed. Tot de dioxinecrisis losbarstte waarin Stefaan De Clercq ontslag moest nemen. Wij leden zwaar verlies. Ik nam ontslag. De CVP belandde in de oppositie waar ik fractieleider werd. Ik heb me behoorlijk snel omgeturnd in die rol. Maar ik realiseerde me dat je in de oppositie alleen maar kunt roeien terwijl het boeiendste is te sturen en te besturen. Dat kan je niet vanuit de oppositie.”

Schepen

“Ik was toen al vijftig en wou echt wel wat anders dan op de oppositiebanken blijven of gemeenteraadslid zijn. Eén uitvoerend mandaat zag ik nog zitten: schepen van Antwerpen na de verkiezingen van 2000. Ik werd schepen met een niet echt sexy bevoegdheid: districten, personeel en stedelijk patrimonium.”

“Niettemin denk ik daar toch wel wat gerealiseerd te hebben. Ik heb het personeelsbeleid totaal gedepolitiseerd én geobjectiveerd. Pas toen Patrick Janssens burgemeester werd in 2003, kon ik dat doordrukken. Verder heb ik als schepen van Patrimonium Vespa opgericht: vandaag een dynamisch vastgoedbedrijf. Daar ben ik echt trots op.”  

Havenbestuur

Al lang voor hij havenschepen zou worden, raakte Marc Van Peel betrokken bij het havenbestuur. In 1996 ging hij deel uitmaken van de dan gevormde raad van bestuur van het Autonoom Havenbedrijf. “Reeds lang was er de kritiek dat de havenadministratie te log was. In de Kamer trokken Paul Dumez en ik aan de kar van een verzelfstandiging. Sommige liberalen wilden een volledige privatisering. Dat ging voor mij en heel wat werkgevers te ver terwijl de socialisten aanvankelijk zeer heftig tegen elke verzelfstandiging waren. Na veel discussie kwam er een compromis uit de bus: de stad bleef eigenaar maar het havenbedrijf zou als een bedrijf gerund worden. Fred Erdman is de vader van die idee. Uit die idee is later het havendecreet gegroeid.”

“De Raad van Bestuur was een compromis van alle fracties. Zo kwam ik in de raad terecht. Jarenlang was dat een surrealistisch gebeuren. Het was een gemeenteraad in het klein. Als havenschepen kon ik later van het autonoom bedrijf een echte nv van publiek recht maken met een échte raad van bestuur maar met de overheid als aandeelhouder. De strikt politieke samenstelling hebben we toen verlaten zodat nog slechts de helft van de mandaten bekleed wordt vanuit de gemeenteraad en de helft onafhankelijke bestuurders zijn.”

Prestaties

Terugblikkend als bestuurslid en nadien als havenschepen, ziet Van Peel tal van grote dossiers. “Er was het jarenlange verhaal van het Deurganckdok en de Raad van State die daar – eens te meer – stokken in de wielen stak. Daarnaast was er uiteraard de jarenlange sleur rond de Scheldeverdragen met de Scheldeverdieping. Ook daarin heb ik toch mee een rol gespeeld. Toen het Verdrag er in 2005 eindelijk kwam, begonnen de echte vertragingsmaneuvers. Het was niet zozeer de concurrentie vanuit Rotterdam die daarin speelde dan wel het oproer dat Den Haag had onderschat tegen de ontpoldering van de Hedwigepolder.”

“Ik kan niet genoeg herhalen in weerwil van wat men in Nederland blijft beweren: de ontpolderingen hebben niets maar dan ook niets te maken met de Scheldeverdieping. Die ontpolderingen zijn geen compensatie. De ontpolderingen staan in de ‘Scheldeverdragen’ als onderdeel van de natuurlijkheid. Ze zijn er door Nederland zelf ingebracht.” 

 “Waar ik als gewezen havenschepen eveneens bijzonder fier op ben en heel hard voor gelobbyd heb, is de realisatie van de Kieldrechtsluis. Toen die in 2016 geopend werd, was dat voor mij even belangrijk als de Scheldeverdieping. Dat jaar was voor mij echt een topjaar. Enkele maanden later konden we ook het Havenhuis in gebruik nemen. Waar ik eveneens met fierheid op terugblik, is de correcte wijze waarop de opvolging van Eddy Bruyninckx is verlopen.”

“In één zaak ben ik niet geslaagd. Als havenschepen moest ik veel reizen. Wij hebben ons internationale netwerk met APEC (internationaal opleidingsinstituut voor haven- en maritieme aangelegenheden, red.) en PAI (Port of Antwerp International, red.), heel belangrijke instrumenten om de haven op de kaart te zetten. Maar ik ben er nooit in gelukt de mensen die al die reizen plannen, te overtuigen om de reisprogramma’s wat rustiger te houden. Echte stachanovisten zijn het: eivolle programma’s, van hot naar her, geen seconde ontspanning. Daar kreeg ik nooit verandering in.” 

Paul Verbraeken