Febetra: Belgische transporteur delft onderspit in bilateraal vervoer

Zowel in het bilateraal transport met Nederland als met Duitsland trekken Belgische vervoerders aan het kortste eind. Alleen in de relatie met Frankrijk hebben ze een redelijk aandeel. Sectorfederatie Febetra wijt de situatie aan de hoge loonlasten.

Uit cijfers van de Europese Commissie over 2015 blijkt dat België tot driemaal voorkomt in de top tien van belangrijkste goederenstromen over de weg in de EU. Zo bekleedt het bilateraal transport tussen België en Frankrijk de tweede plaats met een totaal van 51,9 miljoen ton. Het wegvervoer tussen België en Nederland bekleedt de derde plaats met 51,6 miljoen ton. Tussen België en Duitsland wordt 39 miljoen ton over de weg vervoerd, goed voor een zesde plaats.

“Men zou verwachten dat dit in de kaart speelt van de Belgische wegvervoerders. Die redenering gaat spijtig genoeg niet op, verre van zelfs”, zegt Philippe Degraef, directeur van Febetra.

In het bilaterale transport met Nederland nemen de Belgische transporteurs slechts 16,6% van het vervoer vanuit Nederland voor hun rekening tegenover 73,8% voor hun Nederlandse collega’s. In omgekeerde richting bedraagt het aandeel van de Belgische truckers 22,3% tegenover 67% voor de Nederlanders. Poolse truckers nemen het grootste deel van de resterende transporten voor hun rekening. In de relatie met Duitsland is de situatie nog schrijnender. Daar nemen de Belgische truckers slechts 13,9% van het vervoer van Duitsland naar België voor hun rekening. In omgekeerde richting stijgt hun aandeel licht tot 18%. Hier zijn het de Nederlanders die het grootste aandeel hebben in het overige vervoervolume.

Alleen in de relatie met Frankrijk kunnen de Belgische truckers enigszins standhouden. Van België naar Frankrijk bedraagt hun aandeel 43,4% en 40,6% in tegenovergestelde richting.

Loonlasten

“Dat is het zoveelste bewijs van het gebrek aan concurrentiekracht van onze Belgische vervoerders door de alom erkende loonkostenhandicap. Onze vervoerders zijn zeker niet slechter, maar te duur. Een loonlastverlaging zonder verlies aan koopkracht voor de chauffeur blijft nodig om het Belgische wegvervoer er weer bovenop te helpen”, zegt Degraef.

Ook de in het federale zomerakkoord beloofde fiscale lastenverlaging brengt geen soelaas. “Om van die lastenverlaging te kunnen genieten, moet de bedrijven eerst winst maken. Bovendien staat dit volledig los van de loonlasten. Wij hadden bij de regering aangedrongen op een verlaging van de lasten op de niet-productieve uren of beschikbaarheidstijd, dit wil zeggen de uren die de chauffeur doorbrengt met wachten tijdens het lossen of laden van zijn vrachtwagen. Dat is zeer specifiek voor de sector. Die vraag is door de regering weerhouden”, legt Degraef uit.

Uit cijfers van het Franse instituut voor het wegvervoer CNR over 2016 waar Degraef naar verwijst, blijkt inderdaad dat de Belgische chauffeurs de duurste zijn in heel Europa. Dat geldt zowel voor de totale jaarlijkse kost van een chauffeur voor de vervoerder als voor de kost van een uur rijtijd. Zo kost een Belgische chauffeur op jaarbasis gemiddeld 55.810 euro aan zijn werkgever. België gaat daarmee Italië en Luxemburg vooraf. Het goedkoopste land is Bulgarije met 15.859 euro op jaarbasis.

Een uur rijtijd kost voor een Belgische chauffeur 33,38 euro. Frankrijk en Luxemburg volgen als tweede en derde duurste met respectievelijk 29,81 en 28,20 euro per uur rijtijd. In Bulgarije kost een uur rijtijd amper 8,01 euro.

Terugverdieneffect

“Men mag de terugverdieneffecten van een lastenverlaging niet uit het oog verliezen. Als onze transporteurs aan competitiviteit winnen, zullen ze nieuwe jobs creëren en op die manier de staatskas extra financieren”, besluit Degraef.

Koen Heinen