Europa bevestigt Belgische aanpak controle cabinekamperen

Volgens de Europese Commissie moet een chauffeur niet schriftelijk kunnen bewijzen dat hij zijn wekelijkse 'lange rusttijd' buiten het voertuig nam. In de Belgische wetgeving is dat al bepaald. “Voor ons verandert niets”, zegt Philippe Degraef.

De Europese Commissie heeft in een brief aan de Europese wegvervoerdersunie IRU de modaliteiten verduidelijkt voor de controles op het verbod op het zogenaamde cabinekamperen. Daarin legt ze de bevoegdheden uit van de nationale controle-instanties die de wekelijkse rusttijden (van 45 uur en langer) moeten bewaken. Ze stelt dat de controleurs geen documenten mogen eisen waaruit blijkt dat de bestuurder zijn rusttijd buiten de cabine heeft genomen, zoals bijvoorbeeld een hotelrekening.

De Commissie verwijst naar artikel 36 van een Verordening uit 2014 waarin een lijst is opgenomen van de documenten die de chauffeur te allen tijde aan een inspecteur moet kunnen voorleggen. Die lijst vermeldt geen document dat het nemen van de rusttijd buiten het voertuig staaft. Daarom stelt de Commissie dat overtredingen enkel mogen bestraft worden als de chauffeurs op heterdaad worden betrapt.

Indien sommige lidstaten deze bewijsstukken blijven eisen, moeten bedrijven contact opnemen met de bevoegde autoriteiten om een terugbetaling van de boete te verkrijgen, voegt de Commissie toe.

Belgische aanpak

Deze bepalingen verwonderen Febetradirecteur Philippe Degraef niet. “De Europese Commissie bevestigt hiermee dat de Belgische aanpak van de controles op het verbod op cabinekamperen, de goede is. In onze wetgeving staat – van in het begin – duidelijk dat de inspectiediensten enkel mogen optreden als de chauffeur op heterdaad wordt betrapt. Dat is immers logisch. Hoe moet een chauffeur die zijn lange rusttijd bijvoorbeeld bij vrienden of familie opneemt dat kunnen bewijzen? Voor onze controlediensten verandert er dus niets”, zegt hij.

Philippe Van Dooren