Nationale Bank: "Helft maritieme bedrijven stelt investeringen uit"

Een studie van de Nationale Bank van België werpt licht op de eerste gevolgen van de COVID-19-crisis op de Belgische havens. Bevraagde maritieme bedrijven verwachten een dip van 21% in hun omzet van 2020. De helft stelt investeringen uit.

De jaarlijkse havenrapporten van de Nationale Bank zijn lijvige barometers van de havenactiviteit in België. In volle coronacrisis leest het recentste rapport, gebaseerd op de jaarcijfers van 2018, enigszins als 'de wereld van gisteren'. Niettemin besteedt de studie uitgebreid aandacht aan de 'double whammy' die de Belgische havenspelers uit hun slaap houdt: de impact van de COVID-19-pandemie en de brexit. 

Antwerpen houdt stand

Vooral de blank sailings in de containervaart hadden volgens de Nationale Bank een impact, die in Antwerpen in mei en juni het hardst voelbaar was. Het totaal aantal scheepsaanlopen liep terug, maar daartegenover was er gemiddeld meer volume per schip en werden sommige vaarschema's uitgebreid met extra aanlopen. Segmenten als farma, e-commercegoederen, langbewarende voedingsmiddelen en vers fruit en groenten kenden een stijging. In de vloeibare bulk nam de trafiek af door de dalende vraag naar kerosine, motorbrandstoffen en lagere vraag naar chemische producten. Het stopzetten van de activiteiten bij raffinaderij Gunvor Antwerpen speelt in die cijfers ook een rol. Ook de crisis in het breakbulksegment is de Nationale Bank niet ontgaan. Het aantal gewerkte shifts door de dokwerkers vertoont een dalende trend sinds midden 2019, maar nog niet het soort dip dat we zagen tijdens de financiële crisis van tien jaar geleden. "Dat wijst erop dat de Antwerpse haven momenteel goed stand houdt", besluiten de onderzoekers. 

Toch duik 21%

Niettemin verwachten de maritieme bedrijven dat hun omzet in 2020 een duik neemt van 21%. Een terugkeer naar het niveau van voor de coronacrisis zit er volgens de onderzochte bedrijven niet in voor 2021. De tewerkstelling in de sector komt in het gedrang. Volgens de Nationale Bank plannen verschillende bedrijven ontslagen wanneer de huidige regelingen rond tijdelijke werkloosheid aflopen. De afgenomen vraag op de internationale markten zorgt ervoor dat meer dan de helft van de maritieme bedrijven investeringen voorlopig uitstelt. 

De brexit speelt eveneens een rol in de kopbrekens van de maritieme sector. Een 'lichte' brexit zou een relatief beperkte impact hebben op het bruto binnenlands product van -0,3%. Een harde brexit zou evenwel op de middellange termijn een krimp van 0,7% van het bruto binnenlands product betekenen. 

Toename vrachtvolumes

Niettemin leggen de havens, althans wat het jaar 2019 betreft, een robuuste cijfermassa voor. De Belgische havens kenden, voor het vijfde jaar op rij, een toename van de vrachtvolumes. In 2018 steeg de maritieme trafiek met 4,9% tot 331 miljoen ton. Containers en vloeibare bulk waren de grote drijfveren achter die stijging. In Zeebrugge veerde de lng-trafiek op en breidde de roroactiviteit nog uit. Oostende zag zijn hoogste vrachtomzet in vijf jaar tijd door toename van de droge bulktrafiek. Ook de haven van Brussel kende recordcijfers dankzij de modal shift: grote grondvervoerwerken maakten de overstap van de weg naar de binnenwateren. In de havens van Gent en Luik bleef de groei in dezelfde periode beperkt. 

Extra arbeidsplaatsen

In 2018 waren de havens goed voor 249.612 voor voltijdse jobs, een stijging van 0,8%. Dit alles is goed voor 5,9% van het Belgische bruto binnenlands product. Alle Vlaamse havens genereerden extra arbeidsplaatsen, en niet alleen in de vrachtafhandeling. In Antwerpen zat de stijging vooral in de chemische indrustrie en de logistieke dienstverlening, in Gent vooral in de autoassemblage, in Zeebrugge in de branche van scheepsagenten en expediteurs en het wegtransport. In Oostende zat de jobgroei vooral in metaalbewerking en logistieke dienstverlening. 

De toegevoegde waarde daalde wel met 3,9%, om uit te komen op 32 miljard euro. Toch nog altijd 7% van het Belgische bruto binnenlands product. Vooral de gedaalde capaciteit in de elektriciteitsproductie en de lagere marges in de raffinaderijen wogen op Antwerpen en Luik. Gent en Oostende zagen hun aandeel in het bruto binnenlands product dan weer stijgen, met dank aan respectievelijk de autosector en de baggersector. Zeebrugge behield een stabiel aandeel in de creatie van toegevoegde waarde. 

Michiel Leen