Europa vraagt België, Nederland en Frankrijk havens anders te belasten

De Europese Commissie heeft het fiscaal regime voor havens in België, Nederland en Frankrijk in het vizier genomen. Vooral de volledige vrijstelling van vennootschapsbelasting ligt onder vuur. Volledig onlogisch vindt Daan Schalck dat niet.

Nederland is gevraagd om de vrijstelling van vennootschapsbelasting voor zeehavens af te schaffen. Ook België en Frankrijk kregen het verzoek om hun fiscale regeling voor havens in overeenstemming te brengen met de Europese regels inzake staatssteun.

Economische activiteiten vs overheidstaken

“Indien havens winst genereren met economische activiteiten, dan moet deze winst worden belast volgens de gewone nationale belastingwetgeving, teneinde concurrentieverstoringen tegen te gaan”, stelt Europees commissaris voor Mededingingsbeleid Margrethe Vestager (foto).

Zij doelt daarmee op scheeftrekkingen in de grensoverschrijdende concurrentie tussen zeehavens. “Het is het vaste voornemen van de Commissie om een gelijk speelveld te verzekeren in deze belangrijke economische sector”, zegt Vestager nog. “De zakelijke exploitatie van haveninfrastructuur is een economische activiteit. Publieke ondernemingen dienen, voor zover zij economische activiteiten ontplooien, onderhevig te zijn aan vennootschapsbelasting, op dezelfde wijze als private ondernemingen.”

Zij maakt daarbij een onderscheid tussen de economische activiteiten waarbij havens concurreren met particuliere spelers die al vennootschapsbelastingplichtig zijn, en activiteiten die verband houden met overheidstaken zoals veiligheid en verkeersleiding. Die laatste vallen buiten het EU-toezicht op staatssteun.

“Havens zijn voor economische groei en regionale ontwikkeling cruciale infrastructuur. Binnenkort kom ik met een voorstel dat niet-problematische investeringen in havens die banen kunnen creëren, moet stimuleren door deze vrij te stellen van toetsing aan de EU-staatssteunregels”, stipt de Deense EU-commissaris nog aan.

Lijn trekken

Daan Schalck, CEO van het Havenbedrijf Gent, kan begrip opbrengen voor de demarche van Vestager.

“We moeten daar niet flauw over doen. Havens zoals de onze zijn hybride spelers. Zij vervullen publieke taken, maar treden op bepaalde vlakken wel degelijk als marktspeler op. Het inzetten van slepers, het leveren van water… het zijn voorbeelden van activiteiten die ook private ondernemingen kunnen verrichten. Het is niet onlogisch dat Europa daar dan een level playing field wil zien ontstaan.”

Tussen openbare en economische bedrijvigheid ligt wel een grijze zone, weet hij. “Sommige zaken kunnen voor interpretatie vatbaar zijn. Is het ter beschikking stellen van gronden voor economische activiteiten iets wat een haven doet als openbare overheid of als projectontwikkelaar? De lijn moet duidelijk getrokken worden”, onderstreept Schalck.

Waar havenoverheden als vennootschappen beschouwd moeten worden, moeten ze bovendien ook kunnen genieten van fiscale en andere regelingen die private ondernemingen ten goede komen, is een andere voorwaarde die hij graag ingevuld zou zien.

Want als Europa bij zijn nog “voorlopig standpunt” blijft, dan zal het ook voor Gent een flinke slok op de financiële borrel schelen. “Het is natuurlijk afhankelijk van de winst die je maakt, maar in ons geval zou de belasting die we betalen, van enkele honderdduizenden naar een paar miljoen euro kunnen gaan. Dat is uiteraard niet niks.” Het kan bijvoorbeeld een rem zetten op het geld dat Gent opzij kan zetten voor projecten zoals de bouw van de nieuwe zeesluis in Terneuzen.

“Panikeren is echter nergens voor nodig. We zullen de zaak nu in overleg met de federale overheid moeten bekijken en de discussie met Europa aangaan”, is zijn conclusie.

België en Frankrijk

België en Frankrijk wisten al sinds juli 2014 dat Europa vragen heeft bij tegen hun belastingregels voor havens.

In België gaat het zowel om de zee- en binnenhavens van Antwerpen, Zeebrugge, Gent, Oostende, Brussel, Luik, Charleroi, Namen en PACO. Die worden op een andere basis en aan andere tarieven belast dan de algemene regeling voor vennootschapsbelasting, “wat Belgische havens een doorgaans lager belastingpeil oplevert dan voor andere ondernemingen die in België actief zijn”.

In Frankrijk geldt een volledige vrijstelling van vennootschapsbelasting voor de elf "Grands Ports Maritimes": Bordeaux, Dunkerque, La Rochelle, Le Havre, Marseille, Nantes Saint-Nazaire, Rouen, Guadeloupe, Guyane, Martinique en La Réunion. De vrijstelling geldt daarnaast ook voor de Port autonome de Paris en zee- en binnenhavens die worden uitgebaat door lokale kamers van koophandel.

Frankrijk en België hebben nu twee maanden de tijd om te reageren op de vraag van de Commissie om hun wetgeving terzake aan te passen. Doen ze dat niet, dan kan een “diepgaand onderzoek” volgen om na te gaan of de betrokken fiscale regimes in strijd zijn met de communautaire regels inzake staatssteun.

Nederland en Duitsland

Wat Nederland betreft had de Commissie de vrijstelling van vennootschapsbelasting voor Groningen Seaports, Amsterdam, Rotterdam, Moerdijk, Den Helder en Zeeland Seaports al in 2013 op de korrel genomen. In 2014 was een diepgaand onderzoek opgestart.

Nederland heeft in juni vorig jaar een wet aangenomen die de vennootschapsbelasting voor overheidsbedrijven wel vanaf 1 januari invoerde, maar de zeehavens nog steeds vrijstelde. Maar ook die regeling kan niet door de Europese beugel.

Nederland heeft nu twee maanden de tijd om de nodige stappen te zetten zodat vanaf 1 januari 2017 de zes zeehavens onder de algemene vennootschapsbelastingregels vallen.

Zowel in België als in Nederland en Frankrijk gaat de fiscale regeling voor havens terug tot de periode voor de inwerkingtreding van het Verdrag van Rome in 1958. Ze worden daarom beschouwd als “bestaande steun”, waarvoor een bijzondere samenwerkingsprocedure tussen de lidstaten en de Commissie bestaat.

De Commissie heeft verder ook Duitsland om informatie verzocht over de financiering van bepaalde havens. Deze beoordeling loopt nog.