WEEKENDPORTRET: Roland Van Cleempoel, dokter Schweitzer in de haven

In deze rubriek brengt journalist Paul Verbraeken een portret van een markante persoonlijkheid uit de maritieme, logistieke of transportsector. Vandaag dat van dokter Roland Van Cleempoel, al een halve eeuw een sociale spilfiguur in de havenwereld.

Eind deze maand vinden op 29, 30 en 31 maart in de Antwerpse Waagnatie opnieuw de Open Scheepvaartdagen plaats. Die zijn zowel een echte schippersbeurs als een gelegenheid voor het publiek om het wereldje van de binnenvaart te leren kennen. Al 34 jaar is de drijvende kracht achter dat gebeuren de vzw Museum Rijn- en Binnenvaart, waarvan huisdokter Roland Van Cleempoel (75) de voorzitter is. Een huisdokter?

Jawel, een huisdokter. En wie zijn indrukwekkende palmares bekijkt, moet onwillekeurig denken aan de Frans-Duitse arts Albert Schweitzer, die vorige eeuw opviel door zijn sociale inzet in Europa én Afrika. Want behalve ‘havenarts’ is Dr Van Cleempoel al een halve eeuw bestuurslid van het Kerkschip, medestichter van De Schroef en van het Gouden Anker, lesgever aan de Zeevaartschool, beschermer van maritiem erfgoed. Te veel om op te sommen. Toch een poging.

Schippersmilieu

“Ik ben een oorlogskind, geboren op 28 mei 1943 in Baasrode”, vertelt de dokter ons in de cafetaria van het Kerkschip. “Mijn ouders waren tijdens de oorlog schippers. Mijn moeder was in 1921 als schippersdochter geboren in het Kempisch Dok op een ‘Houten Waal’ (zie verder). Mijn vader kwam in 1919 in Baasrode op de wereld in een schippersfamilie met zes zonen. Grootvader was van Scheldevisser door de vervuiling noodgedwongen overgeschakeld op de binnenvaart.”

 “Mijn vader vestigde zich direct na de oorlog met zijn jonge gezin op de Sint-Aldegondiskaai in Antwerpen boven een winkel van scheepsbenodigdheden. Hij  begon van daaruit met een auto een handel in olieproducten. Je kan het je vandaag eigenlijk niet meer voorstellen maar in die jaren lag het Bonapartedok veelal propvol met binnenschepen. Wij leefden in die bruisende, héél sociale buurt. Wij speelden op de kades en op straat. Vermits heel de familie vaarde, was het bij ons daar vaak de zoete inval. Later zijn we verhuisd naar de Nassaustraat en trok ik naar het Sint-Jan Berchmanscollege op de Meir: in een schippersfamilie toen niet evident.”

“Mijn moeder begon in de Nassaustraat ook een zaak in scheepsmotoren voor binnenschepen. Het Eilandje was een sociale buur. Ik was in die tijd zanger in het kathedraalkoor. Tot mijn 19de was ik bij de Chiro.”

Tropengeneesheer

“Al in de retorica was me duidelijk dat mijn roeping dokter was. Zowel de medische wetenschap als mensen helpen, fascineerde me. Wij waren intussen opnieuw verhuisd naar een groot pand aan de Sint-Paulusstraat, waar moeder kamers onderverhuurde aan studenten van Sint-Ignatius en van de Zeevaartschool. Soms zaten we met wel tien aan tafel! Mijn universitaire studies in Leuven verliepen vlot maar in mijn derde kandidatuur sloeg het noodlot toe: mijn vader is toen op de Beatrijslaan op Linkeroever verongelukt. Het toeval wilde dat ik later in de Beatrijslaan in Schoten zou gaan wonen.”

“In 1969 studeerde ik af maar al tijdens mijn stages was ik lessen beginnen volgen aan het Tropisch Instituut in Antwerpen want ik wou naar de tropen. Waarom? Allicht omdat ik in de haven altijd die exotische Congoboten zag. Intussen had ik ook danslessen gevolgd en daarbij mijn toekomstige vrouw, Hilde, leren kennen.” 

“In Leuven kwam een Congolese bisschop om artsen vragen om vijf missies in de Kasai terug te bemannen. Dat werd dus mijn keuze. Bovendien hoefde ik daardoor geen legerdienst te doen. In december 1969 zijn mijn vrouw – toen al zeven maanden zwanger – en ik dan naar Congo vertrokken, naar Mikalayi, een prachtige missie van de Scheutisten. Vanuit Kananga – het vroegere Luluaburg – was het zelfs met een 4x4 ook toen nog een dik uur rijden.”

“Amper ter plaatse beviel mijn vrouw al op 11 januari – te vroeg – van onze eerste dochter. Dat was het gevolg van een hevige malaria-aanval met 40° C koorts waarbij ze kinine kreeg die de bevalling inleidde. Ook mijn zoon is daar geboren.”

“Wat me steeds van Mikalayi is bijgebleven is de enorme samenhang van die gemeenschap en de samenwerking met de priesters en nonnen: ik heb een grenzeloos respect voor die mensen overgehouden. Vrijwel elke week deed ik er keizersneden en opereerde ik. Ik deed er ook aan pokkenbestrijding. Eén keer ging dat grondig fout. Die behandeling mocht niet aan baby’s gegeven worden én dat is toch gebeurd: zeven prematuurtjes gestorven.”

Schippersbuurt

“Eind 1971 konden we naar België terugkeren voor een zeer goed betaald verlof van zes maanden. Zowel het ministerie als wijzelf gingen ervan uit dat we zouden terugkeren. We gingen ‘tijdelijk’ inwonen bij mijn schoonouders in Schoten. Op een zaterdag zijn we in volle winter teruggekeerd. Nog datzelfde weekend werd ik opgebeld met de vraag of ik ’s maandags ‘tijdelijk’ kon komen inspringen bij de Rode Kruispost voor havenarbeiders op Kaai 142, het SIHWA. Ik heb een weekje rust gevraagd en ben daar ‘tijdelijk’ begonnen. Je kreeg er dokwerkers, schippers en zeelui over de vloer. Soms werd ik geroepen naar schepen waar iemand in het ruim was gevallen. Nog maanden heb ik rondgereden met een transitplaat want wij gingen toch terug. Maar intussen ging de oudste al naar de kleuterschool en mijn vrouw wou liever in België blijven. Ondanks protest van Brussel beslisten we te blijven en begon ik een huisartsenpraktijk in de Sint-Paulusstraat, volop in mijn schipperskwartier. Ik herinner me nog goed dat er in het patiëntentoilet geen elektriciteit was. Bij de deur hing een zaklamp: wel, die is nooit gestolen.”

“Na enkele maanden kreeg ik een telefoontje van dokter Armand Hellemans, die aan de Italiëlei een goede en boeiende havenpraktijk had. Hij deed me het voorstel zijn praktijk over te nemen. Een totaal ander leven, want dat betekende: aan boord gaan van schepen, dag en nacht en alle weekends werken. Een wachtdienst bestond er nog niet. Die heb ik naderhand opgestart.” 

“Ik heb dat lang alleen gedaan maar dat werd te zwaar. In 1985 associeerde ik me met de dokters Verbist en Verhaert tot Mediport. Havenartsen zijn huisartsen. Dat is ook het meest aangewezen. We zagen wel heel wat meer dan een ‘gewone’ huisarts. Ik denk aan tropische ziekten en geslachtsziekten. Patiënten lieten zich zonder afspraak per taxi afzetten. Hoeveel keren kwam er van een gepland weekenduitstapje niets meer in huis! Ik ben mijn vrouw ontzettend dankbaar dat ze dat allemaal heeft aanvaard.”

“Bijzonder schrijnend waren ook toen al de verstekelingen. Drama’s heb ik gezien. Zoals die keer dat er een groepje Afrikanen ergens in Afrika in het ‘hennegat’ (de opening boven het roer) van een schip was gekropen. Het schip ging rechtstreeks naar Antwerpen. Dagenlang zaten ze boven de wentelende schroef, verkleumd, nauwelijks gekleed, terwijl het snel kouder werd. Enkelen zijn onderweg weggespoeld. Hier in Antwerpen werd nog een zestal half bewusteloos opgevangen bij de politie op de Luchtbal. Een aantal keren ging het ook om tbc-patiënten. Dat waren dikwijls gevluchte gevangenen. En dan heb ik het nog niet over de bevallingen die ik aan boord heb gedaan, één keer op 142 bij een Engelse prostituee.”

Andere wereld

“Tot 2008 ben ik havenarts gebleven. In al die jaren is de haven uiteraard totaal gewijzigd en dan denk ik in de eerste plaats aan de algemene sfeer, de mentaliteit: vroeger hing heel die gemeenschap meer aan elkaar, al was het maar omdat men nog vrijwel geen telefoon had. Er woonden toen ook nog veel meer mensen in de haven. Denk maar aan heel de wijk bij de Kruisschans.” 

“Ik heb in al die jaren de preventie in de haven enorm weten verbeteren. En dat niet alleen op het vlak van veiligheid en communicatie maar ook bijvoorbeeld voor wat het wegennet betreft. Ook voor de schippers veranderde alles. Zo werd de schippersbeurs in 2000 gestopt. Tot dan was er een wachtrol om beladen te worden. Voor kleine schippers was die rol een zegen. Dat maakte dat de schippers rijen dik lagen te wachten in het Houtdok, het Kattendijkdok, het Bonapartedok en daar tijd hadden om te socialiseren.”

Lesgever

Vanaf 1976 begon ik ook les te geven aan de Hogere Zeevaartschool. Van mijn voorganger erfde ik de cursus ‘maritieme geneeskunde’, zijnde vier A4’tjes: eentje over syfilis, eentje over lichamelijke hygiëne, eentje over de tropen en eentje over geslachtsziekten in het algemeen. Ik heb dat uitgebouwd tot een cursus om officieren de belangrijkste symptomen te leren herkennen en een aantal levensreddende technieken bij te brengen. Ik heb ingevoerd dat leerlingen van de Zeevaartschool 150 uur op spoeddiensten moesten oefenen met de mogelijkheid om onder meer infusen te steken. Dat bracht me in botsing met de Orde tot ik kon aantonen dat dit was voor actie buiten territoriale wateren.”

“Vaak belden officieren me in die tijd op via Radio Oostende en beschreven dan het probleem. Zo herinner ik me nog levendig hoe een officier me ergens voor de kust van Chili opriep. Hij vermoedde dat een bemanningslid wellicht een acute appendicitis had. Het schip was nog op twee dagen varen van Valparasio.  Via de radio gaf ik enkele richtlijnen. Een Chileens marineschip is nog uitgevaren maar op de valreep nam een heli over: de patiënt lag al op de operatietafel toen de appendix sprong! Later ging die telebegeleiding veel vlotter, zeker toen men ook massaal foto’s begon door te sturen.”

Erfgoed

Hoe verzeilde dokter Van Cleempoel nu in de erfgoedbescherming? “Ergens in de jaren zeventig lag in het (nu gedempte) Graandok een typisch sleepschip, de 'Mon Désir': aan boord een hoogbejaarde broer en zus. Ik werd er als dokter bijgehaald en het was duidelijk dat die mensen daar niet konden blijven. Wij hebben hen geholpen, maar wat met het schip? Samen met pater Van De Meersche van het Kerkschip, beslisten we met vijf stichters een vzw op te richten – de vzw Museum Rijn- en Binnenvaart – om de 'Mon Désir' te kopen, te herstellen en in het Bonapartedok te onderhouden. We wilden aan ‘de wal’ via zo’n schip het leven van binnenschippers tonen met foto’s, maquettes en verklarende teksten.”

“Later volgde een tweede schip, de 'Liomar', een prachtige spits. Nog later werd ik opgeroepen omdat er in het Lobroekdok een schipper heel erg ziek was. Dat was aan boord van de 'Angèle'. Ik moest over tien naast elkaar afgemeerde schepen klauteren en vond een man getroffen door een hartinfarct. Met vereende krachten hebben we hem nog geëvacueerd maar het mocht niet baten. Met onze vzw hebben we ook de 'Angèle' gekocht en deels vernieuwd.”

“Een heel bijzonder geval was de 'Céphée'. Het was in de periode dat men massaal binnenschepen ging verschroten om het tonnage te reduceren. Ik hoorde toen dat in Willebroek de allerlaatste ‘Houten Waal’ vernietigd was: een typisch Belgisch binnenvaartproduct. Belgischer kan niet want in het Nederlands heet dit type een Houten Waal en in het Frans … une péniche flamande. Ik hing in mijn wachtplaats een oproep: wie weet of er nog Houten Walen bestaan? Binnen de kortste keren bleken er nog vijf te bestaan, onder andere eentje in Duinkerke. Ik spoorslags naar Duinkerke waar ik de eigenaar van de 'Céphée' trachtte te overtuigen zijn schip te verkopen. Het lukte. Wij hebben het schip van Duinkerke naar Veurne gebracht en daar brak toen een staking van de sasseniers uit. Daarop beweerde het ministerie dat er geen Houten Walen meer bestonden. Eens dat was rechtgezet, kwamen er verzekeringsproblemen. Enfin, uiteindelijk kregen we van Gent naar Antwerpen een politie-escorte. Het was hét gespreksonderwerp in het schippersmilieu.”

“Maar voor de herstelling kregen we geen toelating! Het Scheepvaartmuseum heeft de 'Céphée' dan overgenomen, geklasseerd én onder de hangars gezet. Sindsdien is er niets meer aan gedaan. Erger: toen ik eens met de Vrienden van het Scheepvaartmuseum een aantal schippers kon sturen om de 'Céphée' te gaan teren, werden die weggestuurd! Ik hoop echt dat het nieuwe stadsbestuur een gunstige beslissing zal nemen voor dit Belgische icoon in het nieuwe maritieme droogdokkeneiland.”

Scheepvaartdagen

“Om het onderhoud van die museumschepen te bekostigen organiseerden we vanaf september 1986 de Open Scheepvaartdagen. Eerst was dat aan boord, later meer en meer met een verlengstuk aan de wal. Bijvoorbeeld in een tent. Daar konden bedrijven uit de sector hun specifieke benodigdheden voorstellen,  gekoppeld aan een Vlaamse kermis. Dat is uitgegroeid tot een evenement met heel wat standhouders waar veel Belgen, en ook Nederlanders en Duitsers, elkaar komen opzoeken. We kijken alvast uit naar de speech van de nieuwe havenschepen Annick De Ridder op zaterdagnamiddag 30 maart. Eigenlijk hopen we stiekem ooit eens een lid van het koningshuis te verwelkomen als erkentelijkheid voor onze schippers.”

Kleuters ...

Dokter Van Cleempoel kende vanuit zijn afkomst ook de problemen van schipperskinderen. Kinderen van schippers gingen veelal niet naar de kleuterschool en gingen vanaf de lagere school op internaat. Als er al eens een kleutertje toch naar een klasje ging, was dat vaak héél kort “want we zijn net bevracht”. Op een bepaald ogenblik werd – met de beste bedoelingen – vanuit de overheid het idee gelanceerd om voor kleuters van schippers internaat verplicht te maken. “Voor kleuters!”, siddert de dokter. “Vanuit het Kinderheil – en vooral dan de zeer kundige verpleegster daar – hebben we ons daar met hand en tand tegen verzet. Uiteindelijk heeft de overheid kleuters van zigeuners en schipperskinderen – in die volgorde – vrijgesteld. Ons inspirerend op een Nederlands voorbeeld, is dan De Schoef op gericht. Die had onder meer mapjes voor schipperskleuters, in te vullen en op een volgende punt af te geven. De stad Antwerpen helpt daarbij.” 

... en ouderen

En dan is er nog de vzw het Gouden Anker. Hoe is dat gegroeid? “Als havengeneesheer zag ik hoe gepensioneerde schippers dikwijls op het Eilandje kwamen wonen en dat verpauperde. Oude schippers werden dan door het OCMW verkast naar homes in Berchem, Hoboken of verder. Maar die mensen misten het water. Zo’n oude schippers en oude zeelui willen ‘aan de wal’ een plaats nabij het water, hun oude werkplek. Omdat niemand iets in gang zette, heb ik het dan maar zelf gedaan. Met de steun van het Kerkschip hebben we het ministerie benaderd. Na veel perikelen hebben we grond gevonden aan het Kempisch Dok. Met de steun van Caritas zijn we er met een heel team in geslaagd een home met 92 plaatsen en 14 serviceflats te realiseren. Daar ben ik echt trots op. Sinds 2000 zijn we daar actief. Gepensioneerde zeelui zijn er vrijwel niet meer maar wel heel wat gepensioneerde schippers.”

Vijfde wereld

“Ik ben ook vijf jaar lang actief geweest bij Dokters van de Wereld”, besluit dokter Van Cleempoel. “Dat is een organisatie die in elke stad sociale en medische hulp geeft aan mensen van de vierde en zelfs vijfde wereld. Je kan je niet voorstellen wat een schrijnende situaties er zich voordoen, ook in Antwerpen. Er spoelt immers heel wat menselijk wrakhout aan in een havenstad, vaak na een afwijzing in de asielprocedure of na afdanking uit de prostitutie. Dan verdwijnen zo’n mensen onder de radar en wordt hun ellende nog schrijnender. Mensen die niets meer hebben. Of mensen zonder adres die daarom geen hulp mogen verwachten van het OCMW. Weet je dat er op het Sint-Jansplein soms kinderen op karton slapen! Dokters in de Wereld poogt die onderbuik van de maatschappij toch te bereiken. Heel wat collega’s steken daar zorg en tijd in en verwijzen dan door. Soms lukt toch een regeling met het OCMW. Kortom, de jongere collega’s die nu bij Dokters in de Wereld – in Antwerpen gevestigd nabij Stuyvenberg – actief zijn, doen schitterend werk. Zij helpen die meest kwetsbare mensen in de havenstad.”

“Oh, ik vergeet nog een voltijdse job”, monkelt de dokter. “Ik ben immers ook nog grootvader van vijf kleinkinderen.”

Paul Verbraeken