WEEKENDPORTRET - Nathalie Balcaen: "MDK meer bekendmaken"

Nathalie Balcaen, grote baas van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust (MDK), is nu aan de beurt in onze reeks weekendportretten. In die reeks bezoekt journalist Paul Verbraeken elke week een maritieme of logistieke ‘BV’.

Sinds 1 augustus vorig jaar leidt Nathalie Balcaen als administrateur-generaal het ‘Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust’ (MDK): de eerste vrouw aan het hoofd van 1.250 Vlaamse ambtenaren die 24 uur op 24 het maritieme leven in Vlaanderen begeleiden. Maar die ook – zeer actueel – werken aan de concrete beveiliging van onze kust tegen de gevolgen van de opwarming. Toch leek deze moeder van vier aanvankelijk een ander carrièrepad ingeslagen te zijn. 

“Ik ben de oudste van twee. Mijn zus is vier jaar jonger”, vertelt de chef van de loodsen, de vlootdiensten, de kustreddingsdienst, de scheepvaartbegeleiding en nog veel meer. “Mijn vader stond in Oudenaarde in het lager onderwijs. Mijn moeder was aanvankelijk textielarbeidster. Door de problemen in de textiel heeft zij zich herschoold tot bejaardenhelpster. Dat deed ze door na haar werk én haar gezinswerk nog avondonderwijs te volgen.” 

“Zelf was ik actief in verschillende jeugdbewegingen in de regio Oudenaarde. Met mijn studies werd dat te veel.”

Ingenieursstudies

“Na Latijn-Wiskunde in Oudenaarde moest ik kiezen. In het onderwijs gaan zoals mijn vader, was geen optie en ik deed altijd graag wiskunde. Toch trachtte het toenmalige PMS me uit het hoofd te praten om ingenieursstudies aan te vatten. Zo’n tegenstand motiveert me juist extra.”
“Het was uiteindelijk mijn moeder die me overtuigde om voor burgerlijk ingenieur te kiezen. Als bejaardenhelpster werkte ze vaak bij een oudere dame die een dochter had die ingenieur was. Moeder vertelde veel over die dochter: zij werd een rolmodel voor mij.”

“Eens mijn keuze gemaakt, wist ik dat me een zwaar ingangsexamen te wachten stond. Elke woensdagnamiddag ging ik daarom bijlessen wiskunde volgen. Het was een erezaak voor mij om het goed te doen. En ik deed het ook goed. Nadien liep de gevreesde eerste kandidatuur heel vlot: ik haalde onderscheiding en studeerde uiteindelijk ook af met onderscheiding.” 

“De studies van burgerlijk ingenieur hielden veel repetities in: om de zes weken. Deadlines stimuleren me. Dat heeft me ook gevormd: alles geven naar die pieken en dan terug even van het leven genieten. Dat ritme, die studieëthiek is er toen echt ingepompt.”

“Na mijn kandidaturen moest ik mijn specialisatie kiezen. Zeker geen sterkstroom of bouwkunde. Maar wat precies, had ik bij het begin van het academiejaar nog niet bepaald. Toen koos ik met overtuiging en interesse voor natuurkunde. Een beetje om filosofische redenen. Niet toevallig was ik altijd al gefascineerd door sterrenkunde en daarbij ook door de gelijkenis tussen het oneindig grote, het heelal, en het oneindig kleine, de atomaire structuur.” 

“We begonnen in de richting natuurkunde met twaalf studenten, ik als enige vrouw. Eigenlijk kwam het nooit bij mij op dat die richting de naam had zeer moeilijk te zijn. Wel weet ik dat ik héél veel heb moeten studeren. Later vroeg ik me wel eens af of ik dat opnieuw zou doen. Ik had ook niet direct een bepaalde job voor ogen. Je hebt als ingenieur zo’n sterke basis dat je zeker bent van een job.”

Doctoraat

“Na mijn diploma (1996) ben ik dan ook niet direct beginnen doctoreren. Neen, ik ben het volgende jaar getrouwd. Gedurende een half jaar ben ik aan het verbouwen geweest in het huis van mijn ouders in Oudenaarde: echte handenarbeid! Tot het besef doordrong dat er – hoewel mijn man al een tijd in de grafische sector werkte – ik toch ook aan de slag zou moeten. Bij de universiteit kon ik een doctoraatsbeurs krijgen in de vakgroep ‘subatomaire stralingsfysica’. Ik ga u de details besparen maar in mensentaal kwam het er op neer dat ik op atomaire schaal experimenteel onderzoek zou doen in polymeren. Zo’n polymeren op die schaal vergelijk je best met een bord spaghetti. De grootte van de holtes tussen die spaghettidraden bepaalt de fysieke capaciteiten. Maar die holtes zie je zelfs niet microscopisch. Je hebt afgeleide systemen nodig om die afmetingen toch te bepalen. Dat doen we met radioactieve stralingen vanuit zelfgemaakte nucleaire opstellingen. Ik werkte in een met lood beklede kelder met stalen deuren en met een geigerteller op mij bevestigd. De onrechtstreekse meting van die holtes leverde een experimentele toetsing op van een aantal theorieën. Maar zo’n onderzoek stopt nooit. Je beantwoordt een aantal vragen en opent er tegelijk nog meer. Op een bepaald ogenblik moet je als doctorandus dan ook afsluiten en je aan het schrijven zetten.”

“Dat doctoreren was een enorme ervaring waarbij ik onder meer een maand kon gaan werken aan de universiteit van Göteborg in Zweden. Aan die Göteborgmaand heb ik een blijvende liefde voor Scandinavië overgehouden.”

Groot gezin 

“Wij wilden een groot gezin. Ik wou heel graag een jonge moeder zijn maar was tegelijkertijd carrièrebewust en ambitieus. Tijdens mijn doctoraat was ik al snel moeder van drie kleine kinderen.”

“Door mijn zwangerschappen deed ik er bij het uitschrijven van mijn doctoraat langer over en was uiteindelijk mijn doctoraatsgeld op. Het uitschrijven moest ik daardoor thuis in Oudenaarde doen met drie kleine kinderen rond mij. Mijn kinderen zijn ook nooit naar een crèche geweest. Mijn man, mijn moeder en ik hebben steeds voor hen gezorgd. Thuis een doctoraatsthesis neerschrijven vlotte niet echt.”

“Belangrijk was intussen het vrouwennetwerk Belgian Women in Science (BeWiSe). Daarvoor ben ik eens naar een internationale conferentie in Parijs geweest. Ik hoorde daar tal van persoonlijke verhalen. Ik ben er buiten gekomen met het besef dat er nog een berg werk valt te verrichten. Kortom, ik heb toen aan een vrouwelijke prof mijn situatie uitgelegd en gevraagd of ik in haar bureau mocht werken. Zij zegde volmondig ja en ik kon mijn doctoraat afwerken.” 

Andere richting

“Tijdens mijn doctoreren begon het te dagen dat de afstand naar het concreet toepasbare te groot was. Ik wou een andere invulling geven aan mijn loopbaan – ik zocht een meer tastbaar maatschappelijk belang – en solliciteerde bij de Vlaamse overheid. Toevallig was er in 2004 een vacature bij de dienst Hydrografie: in principe een totaal andere wereld, maar gevoelsmatig was het dat voor mij toch niet. Het ging opnieuw om metingen en het gebruik van wetenschappelijke apparatuur. Ik bleef dus eigenlijk in een zeer technische, wetenschappelijke wereld. Overigens een te weinig gewaardeerde dienst die vandaag in real time de loodsen op de brug alle info doorspeelt.”

“Na een proeftijd van een jaar kreeg ik als opdracht de proceswerking van de gefusioneerde hydrografische diensten van Oostende en Antwerpen te integreren tot één geheel. Tussen al dat professionele werk door kreeg ik in die periode mijn vierde kind. Onze oudste is inmiddels twintig, het jongste kind is twaalf. Wij verhuisden toen wegens de gezinsuitbreiding naar Gent.”  

“Na een tijdje (2009) kon ik directeur Ontwikkeling Kust worden. Weer iets totaal anders om als leidinggevend directeur de projecten aan te sturen van watergebonden en grote bouwkundige werken. Ik heb me daar snel een beeld van gevormd.”

Kabinetsdossiers

“Na enkele jaren was er in 2012, midden de legislatuur, op het kabinet van minister Crevits een vacature voor raadgever inzake maritiem gebonden materies. Opnieuw zeer boeiend. Het nieuwe was dat ik hier in contact kwam met veel meer dossiers, zoals de maritieme toegankelijkheid, waterbouwkunde, het waterbouwkundig lab, de commerciële havenuitbating enzovoort. Na twee jaar was ik goed ingewerkt maar eindigde de legislatuur. Ik kon terug naar MDK, het 'Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust’, maar ik had nu net al die dossiers onder de knie. Daarom heb ik bij de volgende minister, minister Weyts, gesolliciteerd voor dezelfde functie. Ik kon bij hem als een van zijn eerste kabinetards aan de slag.”

“Er waren toen nog meer dossiers. Bijvoorbeeld de Kieldrechtsluis, de extra-containercapaciteit Antwerpen, de problematiek van de nieuwe sluizen voor Gent en Zeebrugge. Ook heel intensief was het verhaal van de samenwerking tussen de havens. Vanuit Vlaanderen is er een sterk geloof in de meerwaarde van zo’n versterkende samenwerking. De oprichting van North Sea Port was natuurlijk een echte katalysator.”

“Er was ook het verhaal van de toekomstige zeewering langs de kust. Dat was al in 2007 begonnen met studies om de kust te beveiligen tegen overstromingen met een perspectief tot 2050. Dat heeft in 2011 geleid tot het Masterplan Kustveiligheid met een heel pakket maatregelen. Van de voorziene 300 miljoen euro is vandaag al zo’n 200 miljoen uitgevoerd of in uitvoering.” 

“In het Masterplan gaan we uit van een stijging van de zeespiegel tegen 2100 met 80 centimeter. Op basis van nieuwe voorspellingen worden er nog hogere cijfers vooropgesteld. De verschillen in de diverse studies zijn echter zo groot dat eind 2017 beslist is om, via een complexe projecten-project, na te denken over die extremere scenario’s. De eerste vraag moet zijn: waar gaan we in de verdere toekomst de kustlijn leggen? Dat vergt nog een heel traject.” 

“Uiteraard was er ook het loodsendossier waar ik de hele nacht mee heb onderhandeld in het Antwerpse stadhuis. Op het kabinet Crevits was ik daar nog niet mee belast. Het enige dat ik daarover kan zeggen, is dat het een zeer complex dossier is waar we met veel verschillende partijen en ook verschillende vakbonden aan tafel zitten met vaak tegengestelde belangen. Iedereen is het eens over het economisch belang van de dienstverlening. Daar moet veel aandacht aan worden gegeven. Ik wil dit meer gaan benaderen vanuit menselijk standpunt.”

Administrateur-generaal

“Toen stelde ik me kandidaat voor de functie van administrateur-generaal. Het was een zeer lange en zeer intense procedure met externe assessments en niet alleen screenings van de inhoudelijke kennis, maar ook van de capaciteit als leidinggevende. Waarom ik kandidaat was? Het inhoudelijke werk van het agentschap leiden is boeiend en prachtig. Op een kabinet geef je adviezen, als administrateur-generaal is het superinteressant om aan te sturen en vanuit die functie dingen te veranderen. Maar het is een functie met enorme verantwoordelijkheden. Die ambitie had ik.” 

“Het grote verschil met mijn vorige functie is dat ik hier rechtstreeks bezig ben met mensen. Inhoudelijk kende ik de grote dossiers. Nu gaat het er om met mensen om te gaan en hoe dit concreet vertalen.”

“Ik zet intensief in op de ontwikkeling van MDK vanuit twee invalshoeken: zowel top-down als bottom-up nadenken over onze visie en onze operationele doelstellingen. Hoe willen we werken? Welk gezicht willen we hebben? Hoe willen we functioneren als organisatie en niet alles vanuit het management bepalen maar ook vanop de werkvloer. Daarom hecht ik zoveel belang aan brieven en berichten naar alle personeelsleden. Daarop kwamen heel wat reacties en formuleringen. Opvallend is dat de grote thema’s die vanop de werkvloer werden naar voor geschoven, dezelfde zijn als die gedefinieerd vanuit het management. Dat moet zich vertalen in onze verantwoordelijkheid inzake een optimalere werking en in onze bijdragen aan de economische ontwikkeling, maar ook bijvoorbeeld inzake de persoonsgebonden mobiliteit over het water die we mee kunnen aansporen.” 

“Inmiddels hebben we de strategische opties geformuleerd om die ambities te realiseren. Ik denk aan personeelsbeleid, betere dienstverlening, innovatie en nadenken over een meer proactieve communicatie en een nieuwe branding van MDK. Werkgroepen werken dat nu uit. De komende weken willen we dit ongetwijfeld ruime aanbod aan projecten bekijken. In elk geval komt er zo snel mogelijk een raadgevende commissie bij MDK met daarin onze stakeholders zoals de havens, de private sector, de havencommissaris en een aantal onafhankelijke leden.” 

“1.250 medewerkers is veel maar vergeet niet dat we heel wat 'continu-diensten' hebben. Van dat aantal zitten er zowat 500 bij Vloot – met slechts 1% vrouwen – en 450 bij het Loodswezen. Uiteraard hecht ik heel veel belang aan het overleg met de vakbonden. Zelf zit ik het overkoepelend EOC (entiteitsoverlegcomité) voor, terwijl het specifieke overleg gevoerd wordt op het subentiteitsniveau. Ik denk dat we ook daar de communcatielijnen moeten verbeteren en we moeten bekijken hoe we met individuele werknemers rechtstreeks kunnen communiceren.” 

Geen feminisme

“In mijn doctoraatstijd heb ik nog samen met prof Huguette Reynaerts geschreven over vrouwen in de wetenschap die heel wat hebben gepresteerd maar die toch in de schaduw bleven van hun echtgenoot. Ik wou die vrouwen als historisch rolmodel beschrijven. Intussen ben ik de enige vrouwelijke topambtenaar binnen Mobiliteit en Openbare Werken. Maar in mijn eigen directieteam zitten, met mij erbij, vier vrouwen en twee mannen. (glimlachend). En het hoofd van MRCC (Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum in Oostende) is ook een vrouw. En recent is er Rebecca Andries bij de Gemeenschappelijke Nautische Autoriteit. De verantwoordelijke voor werving bij Vloot is een vrouw, net zoals het hoofd van de afdeling Kust een vrouw is. Je ziet dat er in leidinggevende functies toch wat beweegt. Maar er is nog veel werk.”

Fijntjes merkt Nathalie Balcaen op “dat er in de Permanente Commissie die bestaat uit twee Vlamingen en twee Nederlanders vandaag twee Vlaamse vrouwen – Ilse Hoet van de afdeling Beleid en ik – en één Nederlandse zitten. In mijn huidige functie zoek ik eerder naar hefbomen. Ik wil hier geen feminisme van maken. Het gaat uiteindelijk over de keuzes van de personen zelf.”

“In feite draag ik nu drie petjes: dat van administrateur-generaal van MDK, dat van lid van de Permanente Commissie en dat van voorzitter van de Vlaamse Kustwacht. Die laatste dragen eigenlijk de verst reikende verantwoordelijkheid in zich, want daar gaat het om mensenlevens, onder andere via het MRCC. Dat is eigenlijk de noodcentrale voor de Noordzee. Ik word altijd op de hoogte gehouden van incidenten. Ik was net aangetreden toen ik verwittigd werd van het kapseizen en zinken van de Zeebrugse vissersboot 'Z19 Sonja'. Twee doden! Dat is het meest onvoorstelbare in de job. Ik kende uiteraard de zware verantwoordelijkheden verbonden aan deze functie, maar hier gaat het om levens.” 

Inleven

“Uiteraard besef ik ook onze zware verantwoordelijkheden in de economie van ons land. Als ik ga slapen, denk ik dikwijls aan al die mensen van MDK die op dat ogenblik ergens aan het werk zijn: als loods een touwladder aan het opkruipen of als scheepvaartbegeleider het scheepvaartverkeer aan het sturen. Dan besef je dat dit geen gewone ambtenarij is: dit zijn volcontinu-diensten waar men permanent omgaat met  risico’s.”

“Ik ben al enkele keren meegeweest op loodsreizen. Met minister Weyts eens van op de Noordzee tot het afmeren achter de sluizen in Antwerpen. Nadien al eens als administrateur-generaal. Dat was geen perfecte reis maar daar leer je ook het meest uit: urenlang onduidelijkheid of er nu al of niet twee slepers zouden zijn. En er was er maar één. Dan moet de loods beslissen. Hij vroeg toestemming om met één sleper te zwaaien en aan te meren, ook al heeft dat een effect op het laden en ontladen. Dat was voor mij toch een eyeopener: het zijn de loodsen die daar op de brug finaal moeten beslissen en er kan zoveel verkeerd gaan in heel de keten. Als puntje bij paaltje komt zegt men hen 'los het op'. Zij doen dat dan ook. Die momenten vind je niet terug in de statistieken.”

“Dat wil ik daarom zo benadrukken: wij hebben ongelooflijk veel ervaring en expertise maar we maken dat niet genoeg bekend. Nog elke dag krijg ik zo’n eyeopeners. Zo bijvoorbeeld het Loods Informatie Systeem (LIS): de grote rederijen willen dat hun schip op tijdstip X op kaai Y zal worden behandeld. OK, het LIS berekent dat nu en plant. Kortom, wij doen heel veel maar dat is niet altijd voldoende gekend bij onze stakeholders. Dat wil ik veranderen”. 

Paul Verbraeken