WEEKENDPORTRET - Frank Boogaerts (ex-VEA): van haven naar stadhuis

Frank Boogaerts ijverde jarenlang als VEA-topman voor de belangen van de expediteurs en werd na zijn pensionering burgemeester. Hij is nu aan de beurt in onze reeks portretten. Daarin bezoekt Paul Verbraeken telkens een maritieme of logistieke ‘BV’.

Op 31 december 2009 trok Lierenaar Frank Boogaerts – toen 65 – na een lang beroepsleven bij de 'Vereniging voor Expeditie, Logistiek en Goederenbelangen van Antwerpen' (VEA) de deur van het kantoor op de Brouwersvliet achter zich dicht. Datzelfde VEA dat net werd omgedoopt tot ‘Forward Belgium’. Maar van pensioen was geen sprake. Frank was al een tijdje N-VA-schepen van de stad Lier, werd kort nadien ook senator voor die partij en bovendien – de droom van elke politicus – burgemeester. Dat is hij intussen al meer dan zes jaar. 

Het is in zijn prachtige, historische stadhuis dat Frank Boogaerts ons over zijn stad met meer dan 36.000 inwoners en over zijn leven vertelt: een leven dat al op de eerste dag dramatisch bepalend was voor zijn latere politieke overtuiging. 

Frank werd op 16 november 1944 geboren in het moederhuis van Lier. Terwijl zijn amper twintigjarige moeder daar met haar eerstgeborene lag, sloeg twee dagen later vlakbij in de Rolwagenstraat een V2-raket in: zes doden, dertig gewonden en in het moederhuis alle ramen aan diggelen. Moeder en zoontje bleven ongedeerd maar moeder had toen wel andere zorgen: haar man en een deel van haar flamingantische familie was in de repressie opgepakt. 

Cultuurflamingant

“Mijn grootvader Frans Boogaerts, hij heeft hier een straat, was in Lier toondichter en organist in de Kluizekerk. Hij stichtte de stedelijke muziekschool. Felix Timmermans, Oscar Van Rompaey, Jef De Belder, Renaat Veremans en Antoon Thiry waren vriend aan huis. Ze waren allemaal cultureel Vlaamsgezind. Grootvader was nooit politiek geëngageerd, wel cultuurflamingant. Hij had ook een koor: het ‘Vlaamse Leeuw-koor’.”

“Mijn vader, Peter Boogaerts, geboren in 1920, was zijn enige zoon en koos voor een loopbaan in het onderwijs. Ook hij was nooit politiek actief. Als jong afgestudeerde onderwijzer werkte hij eerst korte tijd in Antwerpen en ging dan aan de slag in Oostmalle. Begin 1944 was hij gehuwd met de dochter van vlaamsgezinde kruideniers uit Lier.” 

“In september barstte de repressie los. Zelfs de schoonmoeder van mijn vader, mijn grootmoeder, zat zonder enige klacht of veroordeling negen maanden vast. Bij haar vrijlating kreeg ze te horen dat ze ‘voor haar veiligheid’ was vastgehouden. Vader kwam nog veel later vrij. De beschuldiging was onder meer dat hij zijn leerlingen in Oostmalle in rijen van drie had laten stappen!”

“Ik was natuurlijk nog te klein maar ik herinner me wel dat ik als kleuter van zowat vijf jaar met moeder op bezoek ging in het Klein Kasteeltje. Vader was daar toen net op de binnenkoer de dagelijkse wandeling aan het doen en ik holde naar hem.  Direct werd ik tegengehouden door met mitraillettes bewapende rijkswachters. Uiteraard heeft heel die gezinssituatie me levenslang getekend.”

“Ik was zes jaar toen vader vrijkwam. Pas dan leerde ik hem kennen. Niet alleen mocht hij geen onderwijzer meer zijn – pure broodroof – tegelijk werd hij uit al zijn politieke en burgerlijke rechten gezet en kreeg hij een onmogelijke boete. Dat heeft ons vervolgd tot zijn overlijden in 1982 toen mijn broer – geboren in 1950 – en ik zijn mogelijke erfenis hebben moeten verwerpen.”

Havendrukwerk

“Moeder is die moeilijke jaren doorgekomen in de winkel van haar ouders. Armoede hebben we nooit geleden. Vader schoolde zich om tot linotypist en ging aan de slag bij een drukkerij in Antwerpen. En die drukkerij drukte veel voor bedrijven in de haven. Mogelijk is daar mijn eerste interesse voor de haven toch wel gewekt.”

“Uiteraard dateert uit die tijd mijn flamingantisme. Wij gingen trouwens elk jaar naar de IJzerbedevaart en het Zangfeest en toen de Volksunie schuchter begon, abonneerden we ons op het partijblad. Maar moeder eiste wel dat dit door een militant bij ons zou worden afgegeven. Die man bracht dan weer zijn verhalen mee waar ik, altijd al geboeid door geschiedenis, gefascineerd naar luisterde.” 

Studiekeuze

“Na de Latijn-Griekse humaniora aan het Koninklijk Atheneum moest ik in 1962 een keuze maken. Ik was altijd heel goed in Frans en wou eigenlijk Romaanse studeren maar mijn leraar raadde me dat af. Dus koos ik Germaanse: het werd een té plezant jaar in Gent en ik mislukte. Uiteindelijk werd het de Rijkshandelshogeschool in Antwerpen. Daar kon ik verschillende richtingen uit. Mijn eerste keuze was ‘Handels- en Consulaire Wetenschappen’ met het idee om … een carrière op te bouwen in de diplomatie. (glimlacht). Tot iemand me ook dat afraadde ‘gezien mijn familiale voorgeschiedenis’.”

“Meteen daarop koos ik resoluut voor ‘Handels- en Maritieme Wetenschappen’. Al dat havendrukwerk van mijn vader én ook het internationale facet dat de haven net zoals de diplomatie toch bood, hadden mijn fascinatie gewekt voor de haven.” 

“Ik studeerde af in het roerige jaar 1968, dat ik uiteraard heb meegemaakt maar dat in het Antwerpse redelijk kalm verliep. Wat ons als student meer bezighield was dat wij de laatste gediplomeerden zouden zijn van de ‘Handelshogeschool’ want vanaf het volgende academiejaar werd de naam omgedoopt in het RUCA of Rijksuniversitair Centrum Antwerpen. Wij vreesden een ontwaarding van ons diploma en hebben actie gevoerd. Met succes. Korte tijd later moesten we ons diploma … inleveren en kregen we het terug met de overdruk ‘RUCA’ en werden we licentiaat in de Handels- & Maritieme Wetenschappen.”

Baanbrekende thesis

“Voor dat diploma heb ik uiteraard ook een thesis moeten maken. De titel daarvan verklaart mijn verdere carrière: “De invloed van het containervervoer op het expeditiebedrijf”. Let wel: 1968! De containerisatie stond nog in de kinderschoenen. Er bestonden gewoonweg nog geen studies over. Het enige wat ik kon doen, was heel uitgebreid gaan praten met mensen uit de sector. Zo ging ik dus interviews afnemen bij tal van expediteurs – vaak nog in het Frans – én ging ik ook aankloppen bij … de expediteursorganisatie VEA.”

In de haven

“Ik kwam gelukkig aan een legerdienst onderuit en werk vinden was toen geen probleem. Enfin, ik koos direct voor een job in de haven bij Ford Tractor, waar ik op 1 september 1968 aan de slag ging. Daar heb ik drie jaar lang op de productiedienst gewerkt. Ik had een auto en toen al carpoolden we met een aantal Lierenaars die bij Fort Tractor werkten.” 

“Toen ik werd overgeplaatst naar een administratieve functie bij Ford Tractor in Brussel, ging ik opnieuw solliciteren. Toevallig las ik in de krant een kleine advertentie van het expeditiebedrijf Lahaye & Gyssens op de Meir. Fernand Gyssens was daar de expediteur en Oscar Lahaye deed GEEST Containerlines. Ik dacht dat het om een bediendenfunctie bij het bedrijf ging maar ter plaatse bleek de advertentie uit te gaan van mijnheer Gyssens. Die was kort daarvoor aangetreden als voorzitter van … VEA en wou een extra bediende voor de beroepsorganisatie. Zo begon ik daar.”

“Mijn eerste opdracht bij VEA was een rek met krantenknipsels, boeken en tijdschriften rubriceren … Niet direct iets voor een licentiaat Handels- & Maritieme Wetenschappen. Stilaan ben ik binnen VEA opgeklommen om er directeur te worden.” 

Boeiende wereld

“Ik heb het altijd een enorm boeiende wereld gevonden. Het toeval speelde wel wat mee. Zoals bijvoorbeeld in die jaren toen de internationale expediteursorganisatie FIATA – waarvan ik later ondervoorzitter zou worden – al begin jaren zeventig een congres wijdde aan de containerisatie. Ik beleefde dus van hij het begin die evolutie mee.”

“Eigenlijk wist je ’s ochtends nooit welke problemen van expediteurs je die dag op je bord zou krijgen. Dat alles in een steeds meer internationale sfeer waar ik terugvond wat ik aanvankelijk via een consulaire carrière had gedacht te bereiken. Voor al die problemen moest je als beroepsorganisatie oplossingen zoeken. VEA was eigenlijk het ‘syndicaat’ van de expediteurs.” 

“Bij die periode heeft men soms de indruk dat er toen veel gestaakt werd, maar dat viel wel mee. Niet in het minst omdat we in de gouden jaren zaten en het patronaat ‘veel heeft afgekocht’. Misschien soms te veel maar daar stond dan ook sociale vrede tegenover.” 

Eigenheid

“Natuurlijk hadden we als beroepsorganisatie vrijwel elke dag contact met de agenturen, de stouwers, de naties, het Havenbedrijf en niet in het minst met de douane. Maar bij dat alles hield ik steeds voor ogen dat er fundamentele én juridische verschillen waren met de agentuurwereld. Samenwerken moest natuurlijk: via bilaterale contacten of via de koepel van AGHA, het latere Alfaport. Maar als expediteur vertegenwoordig je de goederen en de producent en moet je er voor zorgen dat de goederen zo goed en zo goedkoop mogelijk op hun bestemming geraken. Het is nogal logisch dat de belangen van de vervoerder – maritiem of luchtvaart – elders liggen dan bijvoorbeeld die van de naties. Je zit onvermijdelijk in een geheel waarin iedereen zo goed mogelijk zijn belangen verdedigt.”

“Op Antwerps vlak heb ik me altijd verzet tegen een fusie van de beroepsverenigingen omdat elk beroep zijn eigenheid heeft. Ook wettelijk. Kom maar eens voor de rechter. Die vraagt u: bent u nu expediteur, vervoerder of magazijnhouder?”

“In die periode probeerden we ook al zoveel als mogelijk samen te werken met de overheden, vooral dan met de douane. In mijn periode was die samenwerking veelal positief, zij het dat sommigen bij de douane in elke expediteur een fraudeur zagen. Dat speelt nu nog soms mee, lees ik. Het is de expediteur die tekent voor de hele keten en verantwoordelijk gesteld wordt, ook al moet hij ook maar afgaan op de aangiften. Dat is altijd een moeilijke afweging geweest.” 

Wereldwijd

“Ik was in die periode ook directeur van de Confederatie der Expediteurs van België (CEB), wat toch een andere invalshoek gaf. Daar zat je aan tafel voor niet alleen de Antwerpse expediteur maar ook voor die van Gent en Zeebrugge, en vooral ook die van Zaventem. Op nationaal vlak had je nog meer met de douane te maken en met de nationale transportorganisaties zoals Febetra, en uiteraard ook met de nationale vakbonden.” 

“Bij de internationale federatie FIATA was ik ook voorzitter van de commissie Maritieme Zaken. Daar kregen we op een internationale schaal te maken met de VS en China. Bij de VS ging het – na nine eleven – om hun toegenomen paranoia waarbij ze de facto hun grenzen verlegd hebben tot bij ons. Dat had gigantische gevolgen voor de expediteurs en voor hun verantwoordelijkheid. Het was soms onwezenlijk. In die contacten – soms met de Amerikaanse Home Security – konden we een enkele keer versoepelingen bekomen: altijd moeizaam en veelal na heel lange tijd.” 

“De mobiliteit was in mijn periode nog niet zo’n probleem. Veel belangrijker waren de snel om zich grijpende overnames en vooral in 1993 het wegvallen van de Europese binnengrenzen. Voor Antwerpen als buitengrens was dat niet zo ingrijpend, maar voor heel wat douane-expediteurs aan de binnengrenzen, viel alles weg, inclusief heel wat jobs. Wij hebben toen preventief bij de overheid steun gevraagd en bekomen. Globaal veranderde de tewerkstelling niet fel maar wel zag ik het aantal expediteurs flink verminderen door fusies en stopzettingen.” 

Pensioen

“Al de dag na mijn diploma in 1968 werd ik actief lid van de Volksunie. In 1970 stond ik op de lijst maar werd niet verkozen. Door opvolging werd ik dat midden de legislatuur in 1974 dan toch. Ik ben sindsdien politiek actief gebleven maar hield dat altijd zorgvuldig van mijn beroepsleven gescheiden. De opeenvolgende VEA-voorzitters hadden ook nooit bezwaren tegen mijn politiek engagement.”

“Soms was het moeilijk politiek actief te zijn omdat ik zoveel in het buitenland zat. En als VU’er dacht ik dat we wel eeuwig in de oppositie zouden zitten.” 

“Op het einde van mijn carrière bij VEA, drie jaar voor mijn pensionering, waren er gemeenteraadsverkiezingen in 2006. Hier in Lier gingen we als N-VA in een kartel met CD&V naar de kiezer. Ik werd als enige N-VA’er verkozen en werd daardoor schepen van Financiën en Economie. Ik besliste toen deeltijds verder te gaan werken bij VEA zodat ik mijn schepenambt kon opnemen en tegelijk ook mijn opvolger, Olivier Schoenmaeckers, kon beginnen klaarstomen.”

“Dat ik schepen en later zelfs burgemeester werd, was wel het laatste waar ik ooit aan had gedacht in mijn politiek engagement. Ik ben toen drie jaar schepen geweest en bouwde intussen mijn beroepsloopbaan af. Toen bleek echter het kartel om allerlei redenen onhoudbaar en zijn we met N-VA in de oppositie beland en werd ik terug raadslid.”

Actief als senator 

“Maar in 2010 waren er vervroegde parlementsverkiezingen. Ik steunde de partij door op een onverkiesbare plaats te gaan staan: derde opvolger voor de Senaat. De N-VA haalde echter zo’n mooie uitslag én zoveel zetels dat ik door allerlei verschuivingen in de Senaat terechtkwam. Daar heb ik me nog vier jaar ingezet, onder andere in de commissie Justitie maar vooral in de Commissie Economie & Financiën waarvan ik ondervoorzitter was. Ik was dan wel net met pensioen maar als senator in die commissies had ik opnieuw veel contacten met havenkringen en zeker met de douane, die federaal is. Zowel in de commissies als in de plenaire vergadering heb ik vragen gesteld en wetsvoorstellen ingediend of gesteund.” 

“Toen volgden er in 2012 gemeenteraadsverkiezingen en trok ik onze lijst. Wij werden de grootste partij met maar liefst 12 op de 31 zetels en ik werd burgemeester. Opnieuw dat ongelooflijk gevoel: ik was dan wel altijd politiek actief geweest maar had nooit aan die positie gedacht.” 

De rest is recente geschiedenis: bij de jongste verkiezingen bleef N-VA in Lier de sterkste partij en werd Frank Boogaerts opnieuw burgemeester. Met intern de afspraak dat hij – nu 75 – dit nog drie jaar zal doen. 

Megabelang

Ook als burgemeester volgt Frank Boogaerts nog – van ver – het reilen en zeilen van de haven. “Over het aantal mensen uit Lier dat rechtstreeks of onrechtstreeks in de Antwerpse haven werkt, heb ik geen concrete cijfers. Maar het is evident dat de impact zeer groot is. Lier is trouwens – bijvoorbeeld cultureel – zeer sterk op Antwerpen gericht, veel meer dan bijvoorbeeld op Brussel of zelfs Mechelen.”

“Als gewezen havenman ken ik het belang van de haven en ben ik er nog altijd in geïnteresseerd. Beeld je in dat de Antwerpse haven er niet zou zijn, wat een debacle zou dat niet alleen voor heel de streek zijn maar voor heel Vlaanderen! De kracht en de impulsen die uitgaan van zo’n haven zijn gewoon niet te vatten.” 

Paul Verbraeken