Dubbelinterview: wissel van de wacht in de Hogere Zeevaartschool

Sinds 1 oktober is Rowan Van Schaeren algemeen directeur bij de Hogere Zeevaartschool. Zijn voorganger blijft aan boord voor de vernieuwbouw. Een gesprek over engagement, vertrouwen en de banden tussen industrie en onderwijs.

Een opvallend duo, als je ze zo voor je ziet zitten, de nieuwe algemeen directeur van de Hogere Zeevaartschool en zijn voorganger. Zo geanimeerd en honderduit Blondé vertelt, zo bedachtzaam lijkt Van Schaeren zijn woorden te wikken. Het is voor van Schaeren ook wel een beetje 'standing on the shoulders of giants'. Zijn voorganger erfde bij zijn aantreden vijftien jaar geleden een op sterven na dood instituut. Jarenlange inzet van de hele organisatie kon dat tij keren. Aan Van Schaeren om het werk voort te zetten. In de afgelopen negen maanden liep hij mee met Blondé, om op 1 oktober de fakkel over te nemen. Blondé, zichtbaar in zijn schik dat de dagelijkse romslomp van hem af valt, blijft aan boord om de grote vernieuwbouwplannen van de school in goede banen te leiden. 

Stond het in de sterren geschreven dat u de leiding zou nemen, meneer Van Schaeren?

Van Schaeren (VS): “Kandidaten konden zich inschrijven op de vacature, waarna een selectieprocedure volgde.”

Blondé (B): “Tussen 1 januari en het moment waarop mijn opvolger de fakkel van mij overnam, heeft hij nog negen maanden met mij meegelopen. We zijn hier niet in Gent, waar er zestien stemrondes nodig zijn om een nieuwe rector te benoemen.”

VS: “Op die manier is de continuïteit gegarandeerd. Kapitein Blondé heeft me destijds nog aangenomen.”

B: “Ik ben hier destijds binnengekomen om de instelling weer op poten te zetten en klaar te maken voor de toekomst. De gemiddelde leeftijd van het personeel is zestien jaar gezakt, de vervrouwelijking heeft zich doorgezet. Het studentenaantal is verdriedubbeld. Dat komt door een nauwe samenwerking met de industrie, de redersvereniging en door persoonlijke contacten. Als het niet klikt met de industrie waarin onze studenten tewerkgesteld worden, dan gebeurt er niets. We hebben ook het geluk gehad dat rond 2002 de tonnagetaks werd ingevoerd, waardoor er meer schepen werden ‘ingevlagd’, zodat de vraag naar scheepspersoneel van hier weer toenam.”

Toen u hier aankwam zag het er niet zo rooskleurig uit. Maar ik neem aan dat u geen vijftien jaar lang crisismanager hebt gespeeld?

B: “In de eerste zeven jaar wel. Tussen 2002 en 2008 was ik voorzitter en directeur tegelijk. Da’s handig, want dan kun je gas geven. In 2008 werden we een autonome hogeschool. Tegelijkertijd werd de bachelor-masterstructuur ingevoerd en behaalden we een ISO 900-certificaat. Rowan en zijn team zetten hun schouders onder de digitalisering van dat proces. Nu zijn we een voorbeeld voor buitenlandse collega’s. Het uitbouwen van een team hoort daarbij. Iedereen heeft goed meegewerkt: vakbonden, personeel, maar ook de reders. Je moet partners vinden voor samenwerking. We hadden het geluk dat de industrie mensen zocht. Het zit soms in de kleine dingen. Bijvoorbeeld: de uniformen verstrengen. Een student van ons die in uniform naar zijn kot fietst, is levende reclame. We trekken ook een internationaal publiek aan. Onze opleiding, met aparte afdelingen scheepswerktuigkunde en nautische wetenschappen, staat bij Franse en Nederlandse studenten hoger aangeschreven dan de polyvante opleidingen in hun eigen land. “

Wat beschouwt u als uw grootste verwezenlijking?

B: “Dat deze school staat waar ze moet staan. Dat doe je niet alleen, dat is de verdienste van een heel team. Na de invoering van de bachelor-masterstructuur werden we zichtbaarder. Tevoren zaten we weggestoken tussen de opties in opleidingen als Industrieel Ingenieur. Nu zijn we de enigen in Europa die ook doctoraten kunnen uitreiken. Mijn opvolger is de tweede doctor in de nautische wetenschappen. Er is ruimte voor wetenschappelijk onderzoek, er is grote betrokkenheid van de studenten.”

VS: “Ook multiculturaliteit en internationaliteit spelen een grote rol. Het is een apart vak. Aan boord van een schip zit je algauw met vier-vijf verschillende nationaliteiten. Dat geeft een meerwaarde. Er zijn 25 nationaliteiten op school, de Fransen alleen al zijn met 170.”

Meneer Van Schaeren, wat is de grootste uitdaging voor u in de komende jaren?

VS: “De samenwerking met de industrie nog verder uitbouwen. Deze school moet een maritiem expertisecentrum worden, in samenspraak met de verschillende stakeholders: rederijen en baggeraars, maar ook de universiteiten en de overheid. Die synergieën gaan we verder opzoeken en uitbouwen. Onze positie is goed, maar er kan nog veel verder gevaloriseerd worden.”

Hoe pakt u zoiets concreet aan?

VS: “De maritieme wereld is klein. De contacten tussen de docenten en het werkveld zijn goed. Zo weten wij wat er leeft en kunnen we daarop inspelen. Er wordt bijvoorbeeld veel gesproken over onbemande schepen. Er is een werkgroep binnen de redersvereniging waar we nauw mee gaan samenwerken om die droom een realiteit te maken.”

B: “Als een reder een nieuw type schip in dienst neemt, zorgen wij dat het snel in onze simulatoren zit, zodat hun personeel hier kan komen trainen."

VS: “Onze hoofdtaak blijft wel: mensen afleveren om te gaan varen. Daarnaast stelt onze opleiding de studenten in staat om later een managementfunctie in de maritieme sector op te nemen.”

B: “Grote industriële spelers zien bijvoorbeeld scheepswerktuigkundigen met ervaring op zee graag komen, omdat zij geleerd hebben om snel problemen op te lossen. Ze hebben een technische en wetenschappelijke kennis. Het hele vernieuwbouwverhaal is gegroeid vanuit de behoefte van onze scheepswerktuigkundigen.”

Die vernieuwbouw is een absolute noodzaak?

B: “We barsten uit onze voegen. Zelfs de zalen die dienen om mensen te ontvangen, doen dienst als klaslokaal. Dat is niet de bedoeling. We hopen dat de werken hier starten voordat men aan Oosterweel begint, of aan de nieuwe Royerssluis.”

VS: “Gelukkig is het overleg met BAM en dergelijke goed.”

Wat is een typische zeevaartschoolstudent volgens u?

B: “Het zijn allemaal kleine leidertjes en ze weten heel goed wat ze gaan doen.”

VS: “Ze weten inderdaad waar ze voor kiezen.”

B: “Je ziet het engagement: heel wat studenten gaan in hun zomer- en paasverlof varen. Wie geen job vindt, moet maar mea culpa slaan. Engagement maakt het verschil. Studenten die in de zomer gaan varen, hebben vaak al een contract nog voordat ze hier afstuderen. En natuurlijk moeten de studenten zich kunnen amuseren. We hebben een schitterende studentenclub, Argonaut, en ook die studenten slagen in de eerste zittijd. Dat zegt veel over hun gedrevenheid! En onze professoren ondersteunen de studenten desnoods met extra lessen in vakgebieden waar ze misschien tekort komen.”

VS: “Hier worden ze klaargestoomd voor de verantwoordelijkheden die ze op jonge leeftijd al zullen moeten nemen. Sommige studenten gaan recht de brug van het schip op, meteen leidinggeven. Van in het eerste jaar wordt die verantwoordelijkheid erin geprent. Wij voorzien alle mogelijke ondersteuning, maar zij moeten erom vragen.”

Er komt ook een leerstoel Zeerecht?

B: “Waarvoor er al heel wat kandidaten zijn. In andere opleidingen verdwijnt het zeerecht. Wij springen in dat gat. Met medewerking van onder andere de universiteit Antwerpen.”

De leerstoel is vernoemd naar uw illustere voorvader Pieter Blondé, die Leopold I nog aan land zou hebben gedragen op zijn schouders.

B: “Dat verhaal is echt gebeurd! Het staat op papier, het is geen cafépraat, hoor.” (lacht)

U hebt beiden gevaren voor u voor het academische koos. Mist u de zee nooit?

VS: “Het watervirus blijft zitten, uiteraard. De passie voor de zee gaat nooit voorbij. Maar soms moet je keuzes maken.”

B: “Ofwel ga je naar een steeds groter of steeds gespecialiseerder schip als kapitein. Loods worden kon ik niet door de leeftijdswetten die toen golden. Op mijn vijftigste ben ik naar de Hogere Zeevaartschool gekomen. En daar ben ik op mijn zesenzestigste nog steeds.”

Er staat u nog een stevige taak te wachten als coördinator van de vernieuwbouw.

B: “De logica zelf: ik ben van bij het begin bij het project betrokken. Het hele team bestaat al jaren uit dezelfde mensen. Het voorontwerp is klaar, nu de bouwvergunningen nog. Nu we ook 10 miljoen van de Vlaamse overheid hebben, komt het met de financiering goed.”

VS: “Het is een gigantische onderneming. Dat zou ik moeilijk kunnen combineren met de dagdagelijkse verantwoordelijkheden hier. Daarom ben ik blij dat kapitein Blondé dit project blijft coördineren.”

De andere vijftien miljoen komen van de banken en de industrie?

VS: “Eigen middelen, leningen en financiering uit de industrie.”

Bestaan er blauwdrukken voor die procédés?

VS: “Voor ons is dat een nieuw terrein. De industrie heeft nog nooit zo geparticipeerd in opleidingen en faciliteiten.”

Wordt er gewaakt over de academische vrijheid. Bestaat er geen gevaar voor “wie betaalt, bepaalt?”

Samen: “Dat is geen probleem.”

VS: “We hebben altijd een nauwe band gehad met de industrie aan wie wij mensen leveren, maar er is steeds academische vrijheid.”

B: “Onze raad van toezicht omvat al onze stakeholders: reders, Universiteit Antwerpen, de Vlaamse en de federale overheid, de marine, personeel en studenten. Met kapitein Peter Raes hebben we ook een externe voorzitter.”

Meneer Van Schaeren, vreest u geen bemoeienis nu uw voorganger hier nog aanwezig blijft?

B: “Ik had het wel wat gehad met het dagdagelijkse besturen. In mijn carrière veranderde ik meestal om de tien jaar van job, steeds projecten die ik opnieuw moest laten draaien. Ik moet opletten dat ik me niet begin te vervelen. Als een project draait, dan draait het.”

VS: “Ik heb van bemoeienis nog niets gemerkt. Ik heb de ervaring en het vertrouwen om erover te waken dat het niet gebeurt. De taakomschrijving is goed afgelijnd. Ik denk dat mijn driedubbele ervaring, op zee, in de haven en in het academische de basis legt. Dat evenwicht moeten we in de toekomst blijven bewaren. We gaan een schitterende toekomst tegemoet, daar ben ik, samen met onze studenten en het personeel, van overtuigd. Er ligt nog veel potentieel, ook in de samenwerking met industrie en kenniscentra. Er is nog ruimte voor veel win-winsituaties.”

Bedankt voor het gesprek, heren! 

Michiel Leen