WEEKENDPORTRET: Bie Van Deun (Hogere Zeevaartschool)

Nieuws, Mensen
Bart Timperman

Sinds 2,5 jaar is Bie Van Deun verantwoordelijk voor de snel groeiende ‘niet-gesubsidieerde opleidingen’ aan de Hogere Zeevaartschool (HZS) in Antwerpen. Als afgestudeerde van de HZS koos ze na enkele jaren varen voor een boeiende job aan wal.

Wie Hogere Zeevaartschool zegt, denkt automatisch aan de zevenhonderd studenten die je overal in de stad – maar vooral bij de Kattendijk- en de Royerssluis op weg naar de lessen – ziet in hun keurige marineblauwe uniformen. De universitaire instelling HZS timmert steeds meer aan een pakket bijkomende, zeer specifieke én veel gevraagde opleidingen. En dat coördineert Bie Van Deun.

Zeeziek

“Als klein meisje wou ik juf worden in een klas”, vertelt de nu 36-jarige Turnhoutse. Maar die juffendroom duurde niet lang. Een maritieme band had ze totaal niet: moeder, een romaniste, werkte korte tijd bij Gazet van Antwerpen en daarna bij de uitgeverij Brepols; vader was tot zijn zeer recente pensionering antifraude- en veiligheidscontroleur bij Suez. Toch was het daar in de Kempen dat haar maritieme roeping begon …

“Als achtjarige begon ik te zeilen op de Mellevijver bij Turnhout. Ik was toch echt nog piepjong. Maar daarmee had ik het virus écht te pakken. Al op mijn zestiende in 1998 werd ik geselecteerd om als lid van een twaalfkoppige bemanning met de tweemaster Rupel te mogen meevaren in de Tall Ships Race, toen nog de Cutty Sark-race. We zeilden van het Spaanse Vigo naar Dublin. Het was weliswaar zomer maar het was héél slecht weer. Van meetaf klonken er ‘maydays’ van andere zeilers die hun mast hadden gebroken of verloren. Ik was de hele tijd zeeziek. Maar het was een zeer goede kennismaking. De volgende jaren heb ik nog vier of vijf keer meegezeild – bijvoorbeeld van Saint-Malo naar Greenock en van Bergen naar Oostende – zij het dan wel op moderne jachten gericht op snelheid en absoluut niet op comfort: met zo weinig mogelijk proviand en slechts enkele honderden liters water. Met zes man aan boord was dat nauwelijks genoeg voor elke dag een kattewasje en om je tanden te poetsen. Telkens was ik zeeziek maar we haalden wel enkele keren een tweede plaats. Die zeilwedstrijden gaven me niet alleen al flink wat kijk op navigatie maar brachten me ook in een internationale context. Toen vond ik dat allemaal normaal dat mijn ouders dat toestonden. Nu ikzelf gehuwd ben en twee zoontjes heb … toch dapper dat ze me lieten doen.”

Geen wonder dus dat Bie na haar humaniora Latijn-Wiskunde zonder een seconde te twijfelen koos voor de Hogere Zeevaartschool. “Van 2000 tot 2004 heb ik de zeevaartschool doorlopen. Ik had in de zomer telkens drie maanden vrij. Vakantie was dat niet echt. Ik benutte die tijd om gedurende zes weken vaarervaring op te doen. Nadien gaf ikzelf dan twee weken zeillessen in Turnhout om geld te hebben voor … mijn volgende deelname aan de Tall Ships Race. Zo heb ik onder meer gevaren op tankers van Exmar, op baggerschepen van De Nul en DEME, en op een roro van Cobelfret. Na mijn studie moest ik nog één aspirantenreis doen maar ik had direct werk zoals iedereen van mijn jaar. Ik ging aan de slag voor Ahlers, dat de chemicaliëntankers beheerde van het Finse Crystal Pool. En toegegeven: ook op die zeereizen werd ik zeeziek.”

Vrouwenboot

“Op de schepen van Crystal Pool ging het steeds om een feitelijke lijnvaart van het Balticum naar de Antwerpen-Rotterdam-Amsterdamzone. Je bleef drie à vier maanden aan boord om dan zes weken thuis te blijven. Dat betekende dus wel dat ik om de twee weken ‘in de buurt’ was. Naar huis gaan zat er tijdens die afmeerperiodes niet in. Wel kon ik dan al eens bezoek ontvangen en kreeg ik post, tijdschriften, wat lekkers enzovoort. Dat was voor mij ook een reden om voor die rederij te kiezen. Tegelijk varen zo’n chemicaliëntankers in een zeer druk schema met veel havens en relatief korte trajecten: heel afwisselend maar heel druk, zeker als we afgemeerd lagen. Eén keer hebben we zeven dagen in Rotterdam gelegen maar dan wel om langs veertien verschillende kades te passeren. Smartphones waren er nog niet. Ik mailde vooral want gsm’en kostte me fortuinen.”

“Omdat de rederij gerund werd met een Scandinavische ingesteldheid, had men daar geen enkel probleem met vrouwen onder de bemanning. Een tijdlang waren we zelfs met vijf vrouwen op een bemanning van vijftien. Dat bracht een heel andere sfeer aan boord en was heel plezant. De kapitein zuchtte wel eens als ‘zijn’ vrouwen aan het koffiekletsen waren maar hij moest toegeven dat het werk gedaan was. Bovendien ging het als een lopend vuurtje door heel het Balticum en de Noordzee dat er ‘een vrouwenboot’ rondvoer. Scheepsagenten, loodsen, autoriteiten kwamen echt vragen of wij die ‘vrouwenboot’ waren!”

“Eerder, bij een andere rederij, had ik soms wel even het gevoel als vrouw niet welkom te zijn. Sommigen dachten dat zij nog harder gingen moeten werken omdat een vrouw ‘natuurlijk’ dit werk niet zou aankunnen. Dat duurde nooit langer dan twee weken en ik werd aanvaard. Overigens: als je daar in een overall meewerkt in weer en wind, is er niet veel vrouwelijkheid meer te merken.”

Nine eleven

“Uiteindelijk heb ik gedurende twee jaar gevaren tot mijn brevet van eerste stuurman. Heel intensief. Maar in tegenstelling met mijn man die nu voor De Nul als kapitein overal ter wereld vaart, heb ik Europa nooit verlaten. Alleen tijdens mijn opleiding ben ik op een stagereis met de Godetia naar Cotonou (Benin) geweest en één keer naar de Golf van Mexico. Dat was wel een memorabele reis want op 11 september 2001 lagen we met een gastanker van Exmar in New Orleans. De Coast Guard was aan boord toen die plotseling opgeroepen werd, snel een positief rapport gaf en als de weerlicht, zonder iets te zeggen, verdween. We verstonden er niets van. Niemand zei iets tot we kort nadien zoals iedereen op tv de aanslagen in New York zagen. We hebben daar 24 uur voor anker gelegen en mochten niet van boord. Niemand gaf informatie. De kapitein reageerde zeer alert en verdubbelde direct de brugwacht. Hij gaf onmiddellijk opdracht de gps permanent in de gaten te houden. Wij wisten perfect onze positie maar hij vreesde dat de Amerikanen het gps-systeem zouden gaan manipuleren. Enkele weken later zijn we in Tampa, Florida, afgezwaaid en vlogen we naar België terug. Meteen was duidelijk dat de wereld veranderd was: alles verliep strenger.”

Cocon

“Gaandeweg vond ik toch dat je aan boord echt in een cocon zit. Dat viel me enorm op toen ik net voor de verkiezingen van 2006 afmonsterde: het was alsof ik plotseling na maanden van een eiland kwam. Ik wist gewoon niet waarover die verkiezingen gingen. Ik stelde ook vast dat vriendschappen uit de studietijd verwaterden. En in 2007 zou ik trouwen. Mijn toekomstige echtgenoot – die dus nog steeds vaart – zag ik in mijn vaartijd twee keer per jaar.”

“Dat alles heeft uiteindelijk meegespeeld om te kiezen voor een meer relaxe job aan de wal met meer rust en regelmaat. Het leven mocht wat rustiger kabbelen.”

“Ik heb daarover open kaart gespeeld en mijn ontslag gegeven en ben pas dan naar wat anders gaan zoeken. Vrij snel kon ik hier in Antwerpen aan de slag bij een rederij die zowel de veiligheid van schepen als bemanningszaken beheerde. Dat leek een bureaujob maar was het absoluut niet. Het betekende veel aan boord gaan en 24 uur op 24 beschikbaar zijn. Dat ging van het snel regelen van een verstekelingenkwestie tot een schip aan de ketting in orde brengen tot op een zondagnamiddag gevorderd worden om ijlings appelsap te brengen omdat men vaststelde dat er te weinig geleverd was … Het woog zwaar dat dit nooit stopte. Aan boord ben je vier maanden dag en nacht bezig maar dan leg je het enkele weken van je af. In die job nooit. Hoewel het heel tof en heel variabel was met heel veel verantwoordelijkheid voor mijn jonge leeftijd, heb ik dit maar één jaar gedaan. Mijn levenskwaliteit was er echt niet op vooruitgegaan.”

Lesgeven

Toen werd Bie Van Deun dan toch … juf, want in 2007 bleek er een vacature bij de HZS. “Men had er een voltijdse opdracht vrij om les te geven over alle veiligheidsaspecten aan boord van alle soorten tankers (bijvoorbeeld olie, gas, chemicaliën) en dit zowel in theorie als praktijk. Dat heb ik uiteindelijk negen jaar gedaan.”

“Toen vroeg men mij de beroepsopleidingen aan de HZS te gaan coördineren. De HZS heeft in feite drie poten. Eerst en vooral is er uiteraard de opleiding op een universitair niveau dat leidt tot een nautisch diploma. Goed voor jaarlijks zowat zevenhonderd studenten en van hen – al jaren vrij stabiel – zowat 10% vrouwen. Daarnaast hebben we ons wetenschappelijk onderzoek dat zich al enkele jaren onder meer uit in doctoraten.”

“De derde poot is het ‘niet-academische opleidingsgedeelte’. Hier geven we niet-gesubsidieerde opleidingen zonder diploma’s maar wel met een waaier van beroepsgerichte certificaten, en zeer specifieke opleidingen op maat, op vraag van firma’s. Daar zit onze kracht: dat we in staat zijn maatwerk te leveren vanuit onze ruime maritieme, wetenschappelijke expertise. Tegelijk de vaststelling dat de technologie nooit stilstaat.”

“Een deel van de derde poot bestaat uit de verplichte vijfjaarlijkse opfrissing voor zeevarenden en uit de omscholing van officieren als ze naar een ander scheepstype willen overstappen. En verder gaat het om specifieke eisen. Zo vraagt een firma bijvoorbeeld een heel specifieke bijscholing voor haar surveyors aan boord van VLCC’s (very large crude carriers of grote olietankers, red.). Of er is bijvoorbeeld de toenemende roep naar ‘polar training’. Die is nodig om met schepen langs de Noordelijke ijsroutes te kunnen varen, maar ook voor het toenemend aantal cruiseschepen dat naar Antarctica trekt. Dan is het mijn taak om dat cursuspakket samen te stellen en na te gaan aan welke normen er zoal moet worden voldaan en er voor te zorgen dat die normen daadwerkelijk worden gehaald. Zodat we uiteindelijk een certificaat leveren dat aan alle vereisten beantwoordt en goedgekeurd kan worden door de FOD Mobiliteit.”

“Vermits die cursussen niet gesubsidieerd zijn, zijn ze uiteraard niet goedkoop. Dat zomaar de commerciële poot noemen, gaat me toch te ver. Het gaat weliswaar om business development en we moeten rendabel zijn, maar het gaat toch niet om de grote commercie.”

Geen eenheidsworst

De afdeling Business Development verwelkomt nu jaarlijks tussen de 900 à 1.200 cursisten waarbij de vijfjaarlijkse ‘refreshments’ een belangrijke invloed hebben op die pieken en dalen. “Dat aantal kan je natuurlijk niet met het ‘gewone’ studentenpubliek vergelijken want in deze afdeling gaat het om cursussen van één dag tot verschillende maanden. Vrijwel alle cursussen worden hier in huis gegeven behalve onder meer de brandweeropleiding. Die geven we in een aangepaste omgeving in Emblem (Ranst). De lessen worden gegeven door een mix van docenten: deels vast personeel van de HZS, deels gastdocenten zoals hoogervaren loodsen of kapiteins en, wat de firefighting betreft, door een kapitein die ook tot de vrijwillige brandweer behoort. Die mix zorgt ervoor dat het geen droge theorie blijft of geen eenheidsworst wordt maar dat we écht het dagelijkse leven brengen: de ervaringen van mensen die er met beide voeten in staan.” 

“Het publiek is internationaal maar de erkenning gebeurt uiteraard door de Belgische overheid waarbij we natuurlijk het geluk hebben terug te vallen op Europese richtlijnen. Het wordt pas ingewikkelder als je bijvoorbeeld een Zuid-Afrikaan of een Indonesiër krijgt. Of als bijvoorbeeld het OCMW ons vraagt in hoeverre een Syrische vluchteling-kapitein aan onze criteria beantwoordt en wat er nog nodig is om hem hier in te schakelen.”

“En als toemaatje is de laatste ontwikkeling de commerciële yachting. Er zijn heel wat wijzigingen op til in de wetgeving inzake pleziervaart en dan zeker voor de commerciële toepassingen. Internationaal is er daar veel interesse voor en de sector staat, na de aanvankelijke twijfel, meer en meer open voor de vereiste brevetten. Ook daar bieden we nu opleidingen die leiden tot de hoogste certificaten.”

Paul Verbraeken